dinsdag 27 september 2016

Grenzeloos

Zoals jullie weten hebben we een boel kinderen. Allemaal heel verschillend van karakter met heel veel eigenschappen waarvan er een paar in het oog springen. Zo is er een superslimme, een supersociale, een superinvoelende, een superintense, een superbaby en een super speciaal gebakje. Zo noem ik hem wel eens als ik over hem praat. Ons speciale gebakje. Ik heb het dan over ons vierde kind. Onze kabouter. Schroeft alles open. Wil van alles weten hoe het werkt. Is alláng “Avi uit”. Zijn lievelingswoord is waarom. Hij kan grenzeloos vragen stellen. Manneke is inmiddels 9 jaar, ziet er uit als een jongetje van 5 door extreme voedselallergieën die hem beroemd maakten op menig artsenconventie. Hij heeft grote moeite met communicatie en hij heeft op zijn linkerschouderblad een donkerblauwe stempel. Autist staat daar. Baf. We wilden nooit een diagnose, een hokje, een doosje om hem in te stoppen. We wilden dat mensen hem zouden zien zoals hij is. In zijn geheel, niet begrensd door een vertroebeld beeld: hij is gewoon zoals hij is. Kan heel hard woedend schreeuwen. Als er dingen gebeuren die hij niet wil. Als er dingen gebeuren die hij niet snapt. Hij begrijpt niet dat mensen kunnen schrikken van hem. Hij is soms grenzeloos in zijn emoties. Dat doet pijn om te zien. Een bijna onbereikbaar kind dat in paniek raakt van… ja waarvan eigenlijk.. van álles. Een zingende zus, een stofzuiger, een broodzak waar hij niet bij kan, een afspraak die niet nagekomen wordt. Alles wat niet past in zijn kaders, in zijn patroon, dat niet valt binnen zijn verwáchtingen. De grenzen van zijn eigen lichaam ervaart hij nog niet. Hij bakent zijn omgeving af door heel gestructureerd hekjes neer te zetten. Zó hoort het, en zéker niet anders.
Hij speelt niet bij klasgenoten. Kinderfeestjes zijn er niet voor hem. Oók van een eigen feestje kan hij nog niet genieten. Hij kan grenzeloos hard lachen, zo hard en schaterend dat de tranen je over de wangen lopen. Omdat je hem blij ziet. Met zijn moppenboekje waar hij uit voorleest. Ook al snapt hij een mop niet: er wordt om gelachen. Zo aanstekelijk, met zijn ene grote-mensen-voortand. Godzijdank heeft hij ouders met grenzeloos geduld, broers en zussen die hem kénnen en hem ondersteunen. Die het er ook zwaar mee hebben af en toe. En hij heeft een uitzonderlijk talent: het verzamelen van uitzonderlijk bijzondere mensen om zich heen. We houden allemaal grenzeloos veel van hem. Nog nooit heb ik hem als autist benoemd, dat vreselijke hokjeswoord vol stempel en oordeel. Je zou deze column als een heel verdrietige coming out kunnen zien. Want ik wil het helemaal niet. Hij is gewoon zoals hij is, en dat is ook goed.


Column in ingekorte vorm gepubliceerd in de derde editie van Kiind magazine 2016

woensdag 27 juli 2016

Niets

Vandaag is het zomer en heb ik na 15 jaar afzien wel es recht op een dagje niets doen. Uiteraard besproken met het vrouwmens en die gunde me dat wel, een dagje vrij.
Om half zes gaat de telefoon, de dikke baby is wakker en natuurlijk wil ik die wel even ophalen. Ophalen? Ja ja, zucht, ik slaap nog steeds op de bank. Voor mij geen doorwaakte nachten, die gun ik mijn echtgenote, maar daar staat tegenover dat ik dus altijd lekker vroeg mag opstaan. Zodat zij nog even kan snurken tot een uur of 8. Licht korzelig, dit is natuurlijk geen nietserig begin van een dag vol niets, maar omdat ik zo vreselijk barmhartig ben toch maar de dikke baby van zolder geplukt.

Ik hoopte op een luier vol niets, of hooguit een beetje pies, maar - uiteraard - de gier zat tot in zijn poezelige nekje. Daar kwam ik achter toen ik er met mijn hand door gleed. Geeft niets. Komt goed, baby poetsen en dat strontpertje over zijn dikke hoofdje trekken, al 1000 keer gedaan, komt goed.

Niets zit me mee. De fluffy zwarte haartjes van mijn bolly zitten nu vol poepstrepen. Ik kan dat negeren, niets aan de hand, maar neen, verman u zelf, o vader van een menigte, baby in bad, schone romper aan, en nu wachten op het grote niets waar ik recht op heb en wat me is beloofd en wat ik nooit heb. Gnnn! En jaja lieve vrouwmensen, ik weet het nu wel, hij kan ook via de beentjes uit, die romper. Zucht.

Er druppelen wat van mijn nabestaanden de trap af. O ik moet een appeltje snijden voor een dochter. Tuurlijk popje. Ik had toch niets te doen. En wat zie je er mooi uit met die zonnetjes op je wangen. Is dat nagellak? Leuk hoor. Kuch. Ik pak straks wel de verfafbijt uit de schuur. Ga nou niet huilen! Ik vind het mooi! Heus! Knap gedaan! Niets erg! Argh. Ik bedoel natuurlijk: Ik zie dat je er blij mee bent! En eh… bijzondere kleuren? Ik dreun geweldloos mijn hoofd een paar keer op de ontbijttafel en ga haar appeltje snijden met de baby op schoot, die heeft toch al zijn vingertjes nog.

Eén van de zoontjes gaat koffie voor me zetten, kijk, die voelt mijn hunkering naar niets goed aan. Nu heb ik een D.E. koffiemaler uit de jaren 50, nog van mijn oma geweest. Je maalt met de hand en dan valt de koffie pardoes in een glazen bakje, alsof het niets is! Het kind maalt als een bezetene want als ik kom kijken ligt de hele keuken vol koffie (gemalen!) en glasscherven van het 60 jaar oude glazen bakje.
Zoonlief staat er middenin te stralen als een kernreactor na een aardbeving en mijn tranen worden alras geabsorbeerd door het koffietapijt.

En dat was dan pas de ochtend.
Fijne zomer allemaal, hopelijk goed gevuld. Misschien wel met niets!


In ingekorte vorm gepubliceerd in de tweede editie van Kiind magazine 2016.

zondag 14 februari 2016

De bank

De bank is maar anderhalve meter lang en ik slaap er al sinds juli op. Er staat een krukje naast met mijn benen erop zodat ik er min of meer op pas - ik lig in een bocht anders val ik er af. Gelukkig is het leven zo zwaar dat ik toch al krom ben.

Om half zes gaat de wekker. Of ja, de wekker… de telefoon gaat en een montere vrouwenstem, die me vaag bekend voorkomt, meldt dat ene David wakker is en of ik hem wil komen halen. Ik strompel de trap op naar wat ooit ook mijn slaapkamer was en tref daar een vrouwmens, dat me vaag bekend voorkomt, benevens een olijk kereltje dat me intens wakker tegemoet lacht. Nu strompel ik de trap weer af met een klein schoppend ventje dat helaas erg op me lijkt en dat ik liever niet plet, dus ik strompel voorzichtig. Beneden aangekomen koester ik de hoop dat de kleine knoetentrol in de box wil, maar neen, het biggetje wil vermaakt worden en wel door mij.

De dag is begonnen.
Normale mannen zitten om zeven uur gestropdast aan den ontbijtdis, terwijl hun slechts in een schortje geklede echtgenote gebakken eieren en een versgestreken ochtendcourant serveert. Ik niet. Ik moet met traangas en een stroomstok twee pubers uit hun bed jagen, terwijl een stuiterende achtjarige me vraagt waarom een analoge telefoon vier draden heeft pap namelijk rood blauw geel groen en een moderne aansluiting alleen maar rood en blauw. Terwijl hij me dit vraagt kotst een zesjarige over mijn sandalen, gelukkig heb ik sokken aan, en huilt een elfjarige dat hij vannacht zijn loszittende kies heeft ingeslikt. Had ik al verteld dat ik ondertussen ook nog een baby bij me draag?

De pubers.
Ondertussen slaapt mijn vrouw eindelijk in – ze heeft de hele nacht met de baby, die slapen haat, liedjes zitten zingen – en ik probeer nogmaals de pubers uit bed te krijgen, wat niet meevalt want ze willen helemaal niet uit bed. Ik probeer ze te lokken. Ik heb zelf brood gebakken maar er zijn ook nog zes plakjes witbrood voor wie er op tijd bij is. Werkt niet. Dan maar heel geweldloos communiceren dat als ze NU niet komen dat ze dan de HELE ontbijtboel – onvoorwaardelijk - ZELF moeten opruimen.

Het kotsende kind.
Ik vergeet behalve te douchen en twee dezélfde sokken met gaten op dezélfde plek aan te trekken helemaal het arme zielige kotsende kind. Eerst moeten de knorretjes van acht en elf naar school, die overleven vast wel een keertje de tocht door Almere zonder mij. Zodra ze de deur uit zijn en ik me er van vergewis dat de pubers niet naar de gevondenvoorwerpenmand in de kleedkamer van de gymzaal ruiken, ga ik op de bedrand zitten van mijn lieve meisje met de rode koontjes. Ik heb het zo warm papa. Ja aapje, je bent ziek. Blijf maar lekker thuis snoetje. Ik ben d’r voor je.



Deze column verscheen in de eerste editie van het magazine Kiind, 2016.

vrijdag 11 september 2015

38 Columns



De tussen 2006 en 2015 voor diverse media geschreven columns heb ik gebundeld in een boekje. Als je er elke avond eentje leest heb je 38 nachten om óf lachend in slaap te vallen, óf gezellig met mee te piekeren over de klerezooi in de wereld. 
Mijn "Wederwaardigheden" zijn te bestellen bij bol.com en via de boekhandel (ISBN 9789402139679 paperback en ISBN 9789402147803 voor de hardcoverversie).


dinsdag 8 september 2015

De Ontmoeting

Zoals jullie weten ben ik een bescheiden persoon die zich het liefst op de achtergrond ophoudt. Mensen merken vaak niet eens dat ik er ben en nieuwsgierigheid of achterdocht is mij vreemd. Ik ben zeg maar een soort varen in een lelijke pot.

Toen ik dan ook afgelopen nacht oranje knipperlichten waarnam vanachter de gordijnen wist ik niet hoe snel ik me in mijn badjas moest hijsen om te veinzen dat er absoluut een vuilnisbak in de keuken (we hebben er vier, Almere doet aan extremistische vormen van afvalscheiding) geleegd moest worden in één van onze kliko´s (we hebben er vier, Almere enz.) in het voortuintje.
Ik dus semi-nonchalant met ogen op steeltjes zachtjes neuriënd naar buiten met de voor een kwart gevulde vuilniszak, om daar heel verrast de auto met kennelijke pech op te merken.

Er stonden drie mannen bij met een donker uiterlijk. Ze bleven als betrapt staan en staakten hun bezigheden, wat die ook mochten inhouden. Ik dacht onwillekeurig aan de sticker die ik onlangs op de lantaarnpaal voor ons huis had aangetroffen, die voorbijgangers er op wees dat er in ons huis Israelieten woonden, om het zo maar even uit de drukken. Eén van de mannen maakte zich los van zijn auto en kwam met ferme stappen op me af.

Dus. Auto met knipperlichten aan. Drie mannen met Noord-Afrikaans uiterlijk. Lantaarnpaal met merkteken. Man komt op me af. Met ferme stappen. Midden in de nacht.

De man die op me af kwam gaf me een hand en stelde zich voor. Reza nog wat. Verstond er natuurlijk geen klap van. Hij vertelde me dat ze het kerkgebouwtje naast ons mochten lenen van de International Church omdat ze multimediale producten maakten voor kinderen in Iran en ik geloof ook Tadzjikistan.
Hij vertelde dat ze alle drie uit Iran kwamen en nooit meer terug konden omdat daar de regels van de Islam golden.

Ik vertelde over mijn zoro-astrische (zoek maar op mocht je een versie van Google bezitten) postbode met zijn mooie gouden hanger en hoe bijzonder ik die oude Godsdienst vond. Hij beaamde dat ook de aanhangers van dit “geloof” het niet makkelijk hadden onder de sharia. De andere twee mannen lachten naar me en staken hun hand op.

Later bedacht ik me dat hij waarschijnlijk gewoon anticipeerde op wat zijn ervaring is. Mannen die eruit zien als hij worden misschien wel steevast met wantrouwen bejegend. In het donker wellicht helemaal. Dan kun je beter de buitenwereld met open blik en uitgestoken hand tegemoet treden.

Weer een mooie doordenker voor Jom Kippoer, even een ijkpunt. Hoe bejegen ik de ander, ongeacht kleur en omstandigheid?

Een goed jaar voor ons allemaal, met broederschap en harmonie! Sjana tova 5776.




Geschreven voor de Joodse Omroep 2015. http://www.joodseomroep.nl/de-ontmoeting/

maandag 7 september 2015

Jom Kippoer 5775

Het is zaterdag 5 september 2015. Havdala is achter de rug en de nieuwe week ligt weer op de loer.

Vanochtend was ik in sjoel met mijn echtgenote en 4 van onze kinderen. Bat Mitswa van een vriendinnetje van onze oudste dochter. Zelf heb ik er weinig van meegekregen, behalve dan de ontzettend lekkere broodjes zalm na afloop, aangezien er de maandelijks peutergroep was en ik daar met de één na jongste heen was. We hebben Rosj Hasjana-kaarten gemaakt!

Toen de peutergroep was afgelopen gingen we nog even terug de dienst in. Keuvelend liepen we later richting de Makadiazaal waar de Bat Mitswa kiddoesj ging maken. Ik praatte met een lieve dame, ze oogt jonger dan ze is en ze draagt een kek rood hoedje. “Je hoedje doet me ergens aan denken.” Zeg ik. “O ja?” vraagt de lieve dame. Mijn vrouw probeert nog, die kent me: “Niet doen!” Maar ik flap er al uit: “conducteur”. Dat was dom! Ik kan niet aangeven of ze het erg vond, hóe erg ze het vond want ik heb er daarna niet meer gesproken.
Mijn vrouw voegde me uiteraard van alles toe, onder andere dat ze me nog waarschuwde, maar het kwaad was al geschied.

Dit soort dingen overkomen mij wel vaker. Of, overkomen, ik doe het natuurlijk helemaal zelf, en dat is niet best. Soms zelfs bewust omdat ik gewoon benieuwd ben naar iemands reactie. Waarschijnlijk heb ik op deze manier al verschillende mensen pijn gedaan of van me verwijderd. Soms gaan grappen te ver, je hoeft niet elke opmerking te maken die in je komt boven borrelen.

Dit is uiteraard een mooie brug naar Jom Kippoer, over ruim twee weken is het weer zo ver! Een zware dag elk jaar, we vasten, we brengen de hele dag door in sjoel als we de zitplaatsen willen of kunnen betalen (blijft een apart gebruik) en we staan vooral stil bij wat er het afgelopen jaar in ons persoonlijke joodse jaar goed en fout ging. Voor mij is het goed om stil te staan bij mijn grote mond, het grappig willen zijn ten koste van een ander. Eigenlijk word je geacht om vóór de dag zelf iedereen die je hebt benadeeld excuses aan te bieden, het goed mee te maken. Maar dat is me toch een brug te ver.

Mag het ook zo? Sorry lieve mensen! Ik zal ook komend jaar 5776 wederom en alweer mijn best doen!
In elk geval een welgemeend goed jaar gewenst voor iedereen die dit leest, moge het een vredig en harmonieus jaar worden, maar dat zal wel niet lukken vrees ik.

Sjana tova!


geschreven voor Christenen voor Israel 2015

zondag 7 juni 2015

Kijkend uit het raam...

Ik zit voor het raam in sjoel. Of erachter. De kindjes hebben les.

ISIS schreef de afgelopen week over hun dankbaarheid jegens Allah voor de ruggengraatloze westerse landen waar ze heen kunnen gaan om uit te rusten en te herstellen van de strijd. Met name Zweden werd uitvoerig bejubeld. Ook werd de hoop uitgesproken om met de hulp van Allah het genoemde land volledig te vernietigen.

Terwijl ik hier in sjoel door het kogelwerende glas kijk zie ik een marechaussee zijn ronde lopen, hij spreekt een jonge man aan die op een bankje zit dat uitzicht heeft op de sjoel, ik zie dat de soldaat zijn ID checkt, iets noteert, en weer doorloopt. De man blijft schijnbaar ontspannen op het bankje hangen.

Zijn we echt zo ruggengraatloos? De joodse instellingen worden beveiligd van staatswege, er wordt toch actie ondernomen zou je zeggen. Waarom blijft het onbehaaglijke gevoel?
Ik heb wel eens verteld dat ik vlak bij een moskee woon. De moskee van waaruit mensen naar Syrië zijn vertrokken om te gaan slachten voor ISIS. Eén van de mannen is gefotografeerd voor een hek waarop een aantal hoofden was gespietst. Hij blikt serieus de camera in en wijst met een vinger omhoog. De week ervoor liep hij nog door mijn straat met een tas van de Jumbo. Wellicht.
Elke vrijdag trekt er een grote stroom mannen naar die moskee. Sommigen dragen jurken, om het zo maar even te noemen, velen hebben baarden. Ze kijken vaak serieus en strak en lopen gehaast. De weinige vrouwen zijn volledig bedekt.

Inmiddels staan er twéé marechaussees bij de jongeman. Ze zijn teruggekomen en hij moet nu de inhoud van zijn  tas laten zien. Petje gaat af, zakken moeten leeg. Hij gaat nu overduidelijk met ze in discussie. Ook de kontzak gaat binnenstebuiten, hij overhandigt allerlei papieren. Hij praat geagiteerd, met hoofdbewegingen, toch blijft hij zitten. Hij is van Afrikaanse herkomst. De marechaussees lopen weer verder. Zou de man begrijpen waarom hij dit moet ondergaan? Zou hij boos zijn? En op wie dan?

Zou je de klederdracht van de moskeegangers kunnen duiden? Ze zijn overduidelijk conservatief gekleed. Dus zullen ze wel de koran als de grote waarheid beschouwen, als hun leidraad voor het leven. Dus zullen ze homoseksualiteit wel veroordelen. Dus zullen ze het bestaansrecht van Israël wel ontkennen. Zo kan ik nog meer Dussen invullen.  In onze huidige samenleving beoordelen we mensen per individu. Of iemand een boerka draagt doet niet ter zake. Dat zegt niets over iemands gevoelens, denkbeelden, meningen - vinden we. Vroeger was het makkelijker. Iemand in een NSB of SA-uniform was fout, klaar. Dit soort eenvoudige conclusies mag je nu niet meer trekken. Terwijl we het stiekem wel doen.


Het is ingewikkeld. Waar gaan we naartoe?

Ik zit aan de tafel rechts in de hoek.

Geschreven in opdracht van de Joodse Omroep http://www.joodseomroep.nl/kijkend-uit-het-raam/

zondag 1 maart 2015

Ik vind twee al zo druk

Enfin, het is dus zover. Mijn vrouw is in verwachting! Geen groot nieuws natuurlijk voor wie ons een beetje heeft gevolgd. Mijn vrouw is eigenlijk altijd wel in verwachting. Dit keer voor de verandering van ons zesde kindje. Gek misschien maar we zijn er erg blij mee! Ook nu kijken we uit naar de komst van de ongetwijfeld bijzondere baby. Mijn gok is dat het een minister-presidentje wordt, of misschien een meester-metselaar, dat mag ook. En als het een meisje is een hooglerares of staatssecretaresse. Of een kantkloskampioene. De reacties lopen niet echt uiteen dit keer. Bij kind vijf werd ik al aangekeken alsof ik niet goed snik was, nu is natuurlijk helemaal het hek van de dam. Wat sinds kind vier standaard is: “Ik vind twee al zo druk.” Vaak gebezigde uitdrukking. Waarom weet ik niet, maar ik word bozig van die uitdrukking. Er klinkt spijt in door van de aanschaf. Het noemen van het getal 2 komt – op deze negatieve manier uitgesproken – onpersoonlijk over. Het wordt er uitgeflapt, soms ook voorafgegaan door de naam van de ooit gekruisigde joodse meneer uit Nazareth. Is dit de manier om naar je kinderen te kijken? Als een druk, een last op je schouders? Mijn standaard antwoord is misschien ook stom. Ik zou moeten zeggen: “Goh. Wat jammer dat je niet tevreden bent over je nabestaanden. Als ‘druk’ het eerste is wat in je opkomt heb je er kennelijk  weinig lol an.” Gelukkig kent u mij als uiterst diplomatiek en invoelend, dus ik zeg dan ook dat hoevéél kinderen je ook hebt, 1 of 10, dat je er toch wel áltijd mee bezig bent. Gevolgd door een glimlach en als ik het kon een knipoog. Maar ik kan niet knipogen, dat ziet er dan uit alsof ik met één oog een boterkoek doormidden probeer te knippen.
Laat ik bij mezelf blijven en mijn oordelen achterwege laten. *Zichzelf even slaat.* Het verwachten van een zesde kindje is een bijzondere gewaarwording. Inmiddels is mijn kippie al lekker dik en hormonaal - het is wel geland zeg maar. Ook heb ik de kleine hemmie of harie al pittig voelen schoppen. Namen hebben we al voor de helft, dus ik hoop maar dat het een jongetje wordt. Meisje zou nu nog Nahmlosientje moeten heten en dat is niet wat. Mij leek Ludmila wel leuk, of Kateřina maar nee hoor, dat werd niet bejaht.

Er moet in ons hamsterkooitje (om het voor de hand liggende ‘konijnenhok’ maar even te vermijden.) nog plek gecreëerd worden voor het zesde Brammetje en dat is gelukkig echt iets voor mij. Zo kon ik bijv. mijn boor niet vinden. Best mal. Zit in een grote koffer met zijn 650 wattjes. Gewoonweg weg gewoon. Nooit meer teruggevonden. Ongelogen de vierde boor in elf jaar die de kuierlatten neemt. Gereedschap ligt bij mij in twee gereedschapskoffers, in de kofferbak van mijn Schorsch, in een la, in de voorraadkast, onder mijn bed, en laatst vond ik een sleutel nummer 10 (best essentieel zeg maar) in een sandaal naast de wasmachine. De andere sandaal ben ik nog steeds kwijt. Toch komt het altijd goed. Je haalt gewoon de schroevendraaier uit je handpalm, plakt een pleister en gaat doorrrrr. Van uitstelgedrag heb ik dan ook helemaal geen last. Pffff. Ik ga maar eens aan de slag. Wordt vervolgd.

zondag 15 februari 2015

De Herhaling

Het is weer zondagochtend en zoals altijd zijn de kindjes naar joodse les. De jongste met plezier, de op één-na-jongste na zachte overreding en veel geduld  “joodse les is stom!” de middelste houdt een spreekbeurt over koning Shlomo (Salomo), de één-na-oudste is hulpjuffie en de oudste helpt mee in het magazijn, met kopiëren en vooral met computerproblemen van de leerkrachten. We vertrokken zoals wel vaker weer wat te laat, reden desalniettemin vrolijk, nou ja, één huilend kind had zich bezeerd aan de gordel, over de verlaten A1 richting sjoel Amsterdam. Ik had me voorgenomen nu eens wat anders te gaan schrijven, iets luchtigs, iets vrolijks, iets over de sneeuwklokjes of mijn Trabant genaamd Schorsch. Dat lukt nu even niet. Ik kan evengoed elke week hetzelfde stukje schrijven lijkt het wel. Gisteren was niet alleen een aanslag gepleegd op de Deense cartoonist Lars Vilks (het NOS-journaal noemde hem omstreden en controversieel, ergo: eigen schuld, dikke bult) maar ook op een sjoel in Kopenhagen. Er was net een Bar Mitswa geweest en een vrijwillige bewaker is doodgeschoten. Ook het bewaken van een synagoge zal straks op het NOS-Journaal wel omstreden, controversieel of provocerend worden genoemd. 

Mijn oudste twee werden eind vorig jaar óók bar en bat mitswa. Ook zij hadden vrijwillige beveiligers die over hun en ons aller veiligheid waakten. Het had ook toen, ook hier kunnen gebeuren. Eigenlijk denk ik dat het ook hier, ook nu, zál gebeuren. Misschien vallen er gewonden, misschien komt er iemand om, misschien gaat alles goed. Nog een tijdje. Misschien wat langer, misschien wat korter. De wereld hangt kennelijk aan elkaar momenteel van misschien. De gemeente Amsterdam laat tot aan de zomer de extreme veiligheidsmaatregelen intact. Misschien is daarna een “goed” moment. Wat mij opvalt (wederom, en ik val in herhaling, als je het zat bent, steek gerust je hoofd terug in het zand) is het Grote Zwijgen van de boven ons gestelden. We hebben een groot probleem in het voormalige Vrije Westen. Ik citeer even uit een artikel in het Belgische “De Morgen” van 11 februari j.l.: "Ruim de helft van de Belgische moslims is fundamentalistisch en wantrouwt joden en homo's. Dat blijkt uit een studie van het Berlijnse Centrum voor Sociale Wetenschap (WZB) bij 9.000 moslims en christenen in België, Nederland, Duitsland, Frankrijk, Zweden en Oostenrijk."

Er is een grote groep mensen die onze samenleving veracht. Die groep woont in ons midden. Wat kunnen we doen? Wat kunnen we doen aan het monsterverbond tussen deze groep en veel progressieve Nederlanders, die alles afdoen als “hetze”? Ik begrijp ook niks van dit verbond, niemand kan het me uitleggen. In mijn jonge jaren was ik lid van de PSP. Iedereen heeft zo z’n jeugdzondes. De PSP stond voor vrouwenrechten, homobelangen, pacifisme. Een anti-religieuze houding kon ze zeker niet ontzegd worden. Ik herinner me spotprenten over kerken n.a.v. de Apartheid in Zuid-Afrika in het blad Rampspoed, van de PSP-jongeren. Nu lopen sommige voormalige PSP-ers zij aan zij te demonstreren met Hamas-aanhangers, homohaters en tegenstanders van de Vrijheid van Meningsuiting. Dit schrijft “de linkste site van Nederland” na de aanslag op Charlie Hebdo: “De moordenaars proberen met hun daad angst en verdeeldheid te zaaien. Als dat ze lukt draait de aanslag uit op een dubbele tragedie, niet alleen voor de medewerkers van Charlie Hebdo en hun nabestaanden, maar ook voor de moslims in Europa die zullen lijden onder de verdere aanwakkering van islamofobie.” Ik denk niet dat “de moslims in Europa” de slachtoffers zijn. Ik denk dat we dat straks allemaal zijn.

Gisteren heb ik met de jongste sneeuwklokjes gezien. Het waren hele erge mooie bloemetjes.

zondag 1 februari 2015

De zondagochtend

We zijn weer eens in Amsterdam op de zondagochtend. Nou ja, weer eens, al tien jaar komen we hier vanwege joodse les voor de kindjes, al sinds de oudste vier werd dus. Gezien ons voortplantingsgedrag verwacht ik hier nog wel een jaar of 13 te komen. En dat is geen grap.
Omdat mijn twee oudste roomboterbabbelaars, bar en bat mitswa geworden in december, onderwijsassistenten zijn en graag op tijd komen zijn we hier altijd al eersten. En dat is heul vroeg op de zondagochtend. We rijden dan met z´n zeventjes vanuit Almere City over de A6 tussen de kerkgangers naar Amsterdam en ik zie ze wel eens hoopvol kijken: Potjandoppie die hebben veel kinderen! Dat zijn vast ook gereformeerden net zoals wij! Helaas, helaas, helaas, dichterbij gekomen zien ze al dadelijk hoe rommelig we tonen, dat we dus waarschijnlijk zigeuners zijn en niet ter kerke tijgen. Enfin, gevoelsmatig rond middernacht staan we dan al voor de deur en worden we niet binnen gelaten omdat er  uiteraard nog niemand is behalve dan de permanent bemande semipermanente politiepost. Daar zijn we blij mee maar de deur openmaken doen ze niet. Zei ik trouwens “voor de deur”? Haha, dat is natuurlijk iets van vroeger hè. Toen stonden we voor de deur. Nu staan voor het hek. Of nou ja, tot vorige week dan. Nu staan we voor de ROADBLOCKS. Ik zweer je. We kwamen vanochtend aanlopen, auto geparkeerd bij het Russische Consulaat omdat het daar zo lekker naar borsjt ruikt en we zagen opeens de stoep, het trottoir voor sommigen, opgeleukt met enorme brokken beton. Grote blokken. Zwaar ook. Zwaarder nog dan ik zelfs. Met een hijskraan daar neergezet denk ik. Of door een nazaat van Simson, dat ligt natuurlijk meer voor de hand. En waarom? Zodat de diepgelovige vrome mannen met weelderige baard en kek bijpassende nachtjapon plus malle slippers  niet met een auto door het hek kunnen knallen om de daarachter wachtende jodelaars plat te rijden. Misschien een hele bizarre reactie, maar ik moest gewoon vreselijk lachen. Maar dan echt. Daar staat een prachtig design gebouw, door een getalenteerd architect ontworpen, voorzien van gracht, hek en kogelwerend glas en nu gelardeerd met anti-tank voorzieningen. Ik vond het hilarisch. Wat het natuurlijk niet is. En we konden niet naar binnen. Wat dat betreft werkt de bescherming dus fenomenaal want niemand komt erin. Kort na ons arriveren, we stonden nog maar een kwartier te blauwbekken, arriveerde de eerste beveiliger die ook chagrijnig was omdat hij er niet in kon. Ook werden we gelijk naar de overkant van de straat gedirigeerd want we stonden nu pal voor de ingang en vormden daar een te makkelijke prooi voor de bloeddorstige wilden. Kortom: een dolle boel.

Uiteindelijk geraakten we binnen en hadden we een hele gezellige en ontspannen ochtend. Ik kreeg zelfs gratis koffie van de dames van de schoonmaak.


zondag 18 januari 2015

Waar is mijn vrouw, waar zijn de kindjes

Dingen pakken je soms meer dan je eigenlijk wilt en je kunt er niks aan doen. We hebben het allemaal meegekregen; de aanslagen in Parijs, de klopjacht in België, Berlijn en Reims. De gesloten joodse instellingen in Frankrijk en België. De joodse school in Amsterdam die vrijdag dicht bleef. Al deze dingen veroorzaken –bij mij althans-  een vorm van milde maar constant aanwezige paniek. Waar is mijn vrouw, waar zijn de kindjes. Volgens onze premier is er niet zoveel aan de hand, we mogen best alert zijn maar echt veel te vrezen hebben we niet. Ondertussen wordt de bewaking van alles wat joods is opgevoerd. Gezellig winkelen tussen de semi-automatische geweren bij de kosjere bakker. Ontspannen naar sjoel tussen beveiliging en semi-permanente politiepost.  Waar is mijn vrouw, waar zijn de kindjes. Eigenlijk staan je haren constant overeind. Je maakt er grappen over met andere potentiële slachtoffers en doelwitten, probeert je schouders op te halen. Het werkt allemaal niet zo. Sprak net een vader die overwoog om zijn kinderen twee weken thuis te houden. Voor de veiligheid. Is toch bizar dat we daar überhaupt over na denken. Dat is het hem nou juist. Het is niet bizar - het is reëel. We zijn doelwit. We zijn potentiële slachtoffers. Onze kinderen zijn dat. Een groep mensen veracht ons zo volkomen dat we dood mogen. Een grote groep. Dat is een gek gevoel, intens gehaat te worden door mensen die je niet kent. Waar is mijn vrouw, waar zijn de kindjes. Het bezorgt me een versnelde hartslag. Een sluimerend angstgevoel. Wanneer mensen die me kennen een hekel aan me hebben dan snap ik dat wel. Ben ook strontvervelend, een pestkop. Bovendien gezegend met een bloedstollend knappe vrouw en gruwelijk pientere en mooie kinderen. Hee, zelfs ík zou een hekel aan mij hebben. Maar mensen die mij, die ons nog nooit hebben gezien? Die niet weten hoe zorgzaam mijn kids met elkaar omgaan? Hoe fantastisch mijn vrouw is met kinderen? Sto delatj? zou Lenin zeggen. Wat te doen? Gewoon doorgaan met leven, liefhebben, werken, eten, slapen, opstaan en weer doorgaan. Uiteraard. Ondertussen pieker je je suf. Waar is mijn vrouw, waar zijn de kindjes. Wat als straks ook hier de bom barst? Maar Parijs, Antwerpen, Berlijn, dat is toch óók hier? Waar kunnen we heen? Israël natuurlijk, maar willen we dat? Moeten we de mezoeza al van de deurpost halen? Dat leuke keramieken Israëlische naambordje met onze naam in het Hebreeuws? Misschien is de folderbezorger wel een salafist. Paranoia ligt op de loer. Het komt er op neer dat ik het ook niet weet. Wat ik wel weet is dat het oorlog is en dat de vijandelijke soldaten gewoon in ons midden wonen. We zitten er tegenover in de trein, we lopen er langs in de Jumbo. Ze lopen langs onze gebouwen en registreren wat ze zien. Beramen plannen. Waar is mijn vrouw, waar zijn de kindjes.

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad van 22 januari 2015.

Amsterdam-Buitenveldert januari 2015. Foto stond in Trouw.

zondag 9 november 2014

Mijn Trabant

Sinds vorige week heb ik eindelijk weer een Trabant. Mijn eerste auto was een Trabant, mijn vierde ook, maar ja,  je kent het, kinderen, ruimte, praktisch denken, het hield op. Een handiger auto, waar de kinderen eventueel een crash in zouden overleven deed haar intrede en dat was het dan. Dat werd dus een Lada. Jammer.
Nu heb ik dus weer een Trabant. En dat deze week 25 jaar na de val van de Berlijnse Muur. Rokend en pruttelend schud ik door Almere, hoofdschuddend en hoestend nagestaard door de geschokte dorpelingen. Wat bezielt me? Ik ben gewoon zelf een Trabant. Ben gelukkig al lang geleden gestopt met roken, maar ook ik stotter wel eens door het leven, sta soms zonder benzine en heb af en toe extra smering nodig om soepel te blijven. Uiteraard, daar wachten jullie natuurlijk op, staat de Trabant ook symbool voor herwonnen vrijheid en het einde aan slavernij. Eigenlijk zouden we pesach moeten vieren op de hoedenplank. Moshe, die had ook een Trabant toen hij de Muren slechtte om het getto van Egypte. Waar de slaven der DDR eerst via Praag naar hun beloofde land trokken, zo ging Moshe door de rode zee en de woestijn.
Laat ik maar dicht bij mezelf blijven. De inwoners van de DDR, waar ik in 1987 te gast was, hadden bijna allemaal een Trabant. Je past er nauwelijks met zijn tweeën in, maar zij gingen met hele gezinnen geschoenlepeld naar binnen en reden dan 1.200 kilometer naar de Zwarte Zee. Als ik er in zit, in mijn pruttelpot uit 1965, dan ruik ik de historie. Of de olie. Ik stel me voor dat ik met mijn gezin, vijf kinderen, één echtgenote, gespannen onderweg ben naar de Muur. Günther Schabowski heeft zojuist verklaard dat de grenzen “ogenblikkelijk en zonder voorbehoud” open gaan. Ik kan me dit niet eens voorstellen want de vijf kinderen op het een meter brede achterbankje zouden elkaar dusdanig in de haren vliegen dat Trabbistein om zou kiepen in een bruinkoolmijn en we nooit maar dan ook nooit heelhuids door de muur zouden komen. Of ik zou er tegenaan rijden. Zoiets. Gezien het hoge gehalte aan nebbisjkeit zou de ontwerper wel Joods mogen zijn. Hij heette Jitschak Ölbenz. Of neen, Werner Lang. Niet Joods, maar wel iemand die in Italië tegen de fascisten vocht. Een kosjere auto dus. Moet ook wel als iedereen je tRabbi noemt. Rabbijn Steinman uit Frankfurt was de 'Rabbi im Trabi'.
Vandaag is het negen november, de dag waarop de geschiedenis van Europa dramatisch veranderde. Van twee Duitslanden, een verdeeld land, wat ik eigenlijk wel een goed idee vond, werd Duitsland weer één land. Zowel de mensen in het westen als die in oosten waren een paar maanden erg blij. Daarna werd het gewoon en klaagden ze steen en been over elkaar. Het grootste minpunt van de eenwording was natuurlijk het faillissement van de Trabantfabriek in Zwickau.
Verder wens ik de Duitsers het allerbeste, zolang de rest van de wereld er geen last van heeft.


gepubliceerd op 11 november 2014 op Jonet.nl

maandag 25 augustus 2014

Een vaderhart

Doorgaans ga ik grappend door het leven (alhoewel ik ook wel zwaar op de hand kan zijn) maar de laatste tijd is dat anders. Ik voel me opgejaagd, schichtig en heb het meer dan ooit het gevoel dat de nieuwsberichten geen ver-van-mijn-bed-show zijn. Elke dag brengt schokkende berichten. Soennitische terroristen die christenen kruisigen, die kinderen onthoofden, die vrouwen verhandelen als seksartikelen, die honderden krijgsgevangenen afslachten, journalisten vermoorden, steden plunderen en de inwoners de hongerdood injagen, en dat enzovoort, enzovoort. Ondertussen lijkt de wereld lamgeslagen. De VS komen eindelijk in actie in het Koerdisch gebied, echt zoden aan de dijk zet het nog niet. Nederland gooide ook wat tupperwarebakjes en slaapzakken op de berg van de Yazidis. Ik had nog nooit van dit betreurenswaardige volk gehoord.
Hun fanclubs zijn ook in Europa actief, we zien ze allemaal door de straten van Frankfurt, Parijs, Berlijn, Keulen, Den Haag en Amsterdam marcheren, met hun zwarte banieren met wit  “logo”. (Even een Godwin: weet je wie ook een zwarte vlag met een wit logo had?) Ze schreeuwen: “Dood aan de joden!” In een voor de meesten van ons onverstaanbare taal, maar ze roepen het wel.
Het enge aan deze mannen en vrouwen vind ik hun stelligheid. Ze weten hoe het zit. Je hoeft ze echt niets te vertellen. Sterker nog: dat is slecht voor de gezondheid. Zij aan zij met deze - al dan niet - religieus geïnspireerden lopen mensen uit de progressieve partijen. Linkse mensen, die vroeger streden voor vrouwen- en homorechten en die nu hand in hand lopen met mensen die vrouwen een andere plek toekennen dan mannen (to put it mildly) en bij wie voor homo’s geen plek is in deze wereld. Dat maakt het nog spannender vind ik. Alle begrip voor hun gevoelens van solidariteit met de kinderen van Gaza, maar is dat voldoende om je te liëren aan groeperingen die lijnrecht tegen je eigen democratische beginselen ingaan? Israël besloot deze maand de huwelijken van homoseksuelen die naar Israël emigreren te erkennen. Dit is onbestaanbaar in de landen om Israël heen. Toch is Israël altijd de bad guy bij het weldenkende deel der natie en zijn veel intellectuele progressievelingen solidair met hen die van Israël af willen.
Het valt me op dat er een grote groep onverschilligen is. Mensen die narrig worden als ze wéér iets horen over het drama in het Midden Oosten. Op Facebook komen ze vaak genoeg voorbij: “Hek erom en het ze lekker laten uitvechten.”, “Gewoon Israel ontwapenen en het lost zich vanzelf wel op.”
 “Je post alleen maar nare berichten, ik volg je niet meer.” Geen enkele intentie om zich er in te verdiepen, want daar krijgen ze een ongemakkelijk gevoel van. Ze willen niet terugkijken naar het ontstaan van Israël of naar de reden dat er nog maar 40.000 joden in Nederland over zijn. Interesseert ze helemaal niks. Voor hun is het wél een ver-van-hun-bed-show en dat moet vooral zo blijven. Liever zien ze cupcake-foto’s en alfabet boerende puppy’s.
Wat mij vooral bezighoudt is dat dit niet over gaat. De oorlog in Israël heeft het uiten van reeds aanwezige gevoelens alleen maar gelegitimeerd. Die haat was er al en wachtte op een uitlaatklep. Als er straks met G’ds hulp weer een soort vrede of wapenstilstand is zullen de uitbarstingen misschien wegebben, maar de haat zal blijven. Wat kunnen we doen? Dit blijft. Ook de duidelijke keuzes die sommige politieke partijen maken, de weg die sommige intelligente mensen gaan (“Isis is een zionistisch complot!”) bevreemden me en maken dat ik me unheimisch voel.

Op vrijdagmiddag haal ik vaak de jongste twee van school. Ik kijk dan naar mijn kindjes, eentje in het stoeltje, de ander op zijn brakke fietsje naast me en voel een steen in mijn maag. Wat te doen? Moeten we hier wel blijven in Nederland? Pfffff….. spanning in mijn geest en in mijn lijf. Thuis zakt het wel weer, maar het blijft aanwezig. Dan kijk ik maar weer naar onze vijf vrolijke aapjes, de jongsten hebben niet in de gaten dat er een vijandige wereld is, de wat ouderen beseffen het soms. Ik maak me gewoon ontzettend veel zorgen. Gelukkig hebben we een overheid die over ons waakt. Toch?



Geschreven in opdracht van de Joodse Omroep, aug. 2014

donderdag 10 juli 2014

Operatie Heel Roel

Zoals jullie allemaal weten, het gaat niet uit je hoofd sinds ik die foto’s op Facebook plaatste, ben ik vier jaar geleden door een heuse dokter gesteriliseerd in mijn scrotum. (zie ook http://jisroel.blogspot.nl/2010/10/onklaar.html).

Klaarrrr! Zul je denken, Roel is steriel, de wereld haalt opgelucht adem, misschien gaat-ie ook nog wel mee op die missie naar Mars, dat zou helemaal fantastisch zijn.
Helaas, helaas, helaas…. Heb ik even slecht nieuws voor jullie. Bij zo’n 2-5% van de mannen, meestal degenen met het hoogste IQ en het grootste geslacht, blijft er complicaties nadat de slager met mesje nummer 17 de slagaders des levens heeft doorklieft. Je blijft er last van houden, je snapt er geen bal van maar het is –plat gezegd- vrij klote. Maar Roel, vertel! Wat schortte eraan knul?? Ho ho ho, nu niet opeens allemaal belangstelling veinzen omdat het toevallig gaat om mijn intieme instrumentarium, mijn jongens, mijn slagwerk, mijn gelderse kookworst.
Omdat jullie zo aandringen en me schijnbaar niet met rust kunnen laten (“mag ik een gipsafdruk Roel???” tssk tssk tssk) zal ik jullie inlichten aangaande deze precaire situatie. Reeds. Ik voelde continu mijn nootjes in de knikkerzak, geen pijn, geen jeuk (hou op), maar gewoon een bewustzijn dat er “iets” zat bij mijn nabestaandenfabriek en dat was reuze IRRITANT. Er dringt zich een vergelijking aan me op die helaas niemand kan verifiëren: alsof je maandverband niet goed zit. GEK werd ik ervan. Bij het lopen, bij het zitten, bij het gaan en bij het staan. Enkel gedurende de intieme situaties in den echtelijke sponde had ik er géén last van. Het idee om mijn vrouw of wellicht willekeurige voorbijgangsters continu bloot te stellen aan mijn Amsterdammertje kon me ook niet bekoren, mensen gaan dan over je praten alsof je mal bent en dat is natuurlijk niet zo. Bovendien weet ik ook niet of ik mijn vrouw lang genoeg vastgebonden zou kunnen houden. Dus. Aangezien ik niet de ganse dag in kennelijke staat kan verkeren moest er wat aan gebeuren.

In mijn grenzeloze wijsheid besloten wij dan ook de hele bliksemse doorgeknipte zooi weer te herstellen alsof er nooit wat gebeurd was. Ik dus naar de uroloog. Nu is praktisch elke uroloog joods dus dat was erg gezellig. Ken je die en die eikel? “Ja, dat is mijn zwager.” O. HAHAHAHA. Slik en nu terzake. Dat was snel voor elkaar want zo’n hersteloperatie, in vaktermentaaljargon “vaso vaso” genaamd, is een leuke klus van zo’n anderhalf uur onder volledige narcose waar elke uroloog letterlijk zijn vingers bij aflikt.

Ik dus opgelucht naar huis. Alles zou reg komen. Fluitje (haha) van een cent (rijksdaalder). En lekker onder narcose. Voor het eerst. Dus ik zal wel doodgaan dan hè, zo gaat dat. Okee, de dag der dagen brak aan ik wandelde vrolijk het hospitaal binnen en voor ik het wist lag ik naakt met een groen shirt (verkeerdom!) aan in een bedje. Gedrogeerd met oxazepam en met een spuit in het buikvet. Heerlijk was dat. Een grote Surinaamse mevrouw – Surinaams accent- , ‘het is een heel gepiel hoor, zo’n operasie’, reed me naar een zaal met allemaal andere stumpers en daarna naar een andere zaal met veel mondkapjes en groene lapjes, alwaar ze zei: – Surinaams accent- “Ik ga je zuurstof geven hoor..” hetgeen een grove leugen was want halverwege het Sjema (joodse geloofsbelijdenis) was ik al weg.

Daarna was ik weer wakker. Hier komt een psychisch aspect om de hoek kijken, dus als dat te ingewikkeld is mag je het overslaan. Ik werd huilend (bizar! Ik huil nooit omdat ik een man ben! Kwam door de narcose denk?!) wakker terwijl ik de overige nog half slaperige sloebers trakteerde op een melodramatisch gezongen ”Ik ben weer heel, ik ben weer héél!!!!” Vervolgens vroeg ik de dienstdoende zuster (verpleegkundige, sorry) of ik haar hánd mocht vasthouden. Hier las ik even een pauze in zodat jullie je tranen van het uitlachen kunt drogen. Dit verhaal is namelijk ongelogen.

Men reed mij – met toc en 3000 meter verband om den muis – terug naar mijn kamertje alwaar mijn teerbeminde op mij wachtte. Na enkele uren jammeren mocht ik naar huis, ik heb alleen geen idee meer hoe ik daar gekomen ben, misschien heeft Jorritsma me wel gebracht. Thuis aangekomen werd ik vol afgrijzen door de zoons aangekeken en de dochters vonden het wel grappig geloof ik.

Na twee dagen mocht ik mijn kermende knaapje bevrijden van toc en verband en stond ik oog in oog met het meest afgrijselijke dat ik ooit mocht aanschouwen. Ooit waren het blozende rimpelkussentjes, nu had ik twee paarse kalebassen die op een zomerse groenteshow ongetwijfeld de prijs voor grootste en hardste exemplaren hadden gewonnen als ik ze daar op een schotel, beter een schaal, had gedeponeerd. Het paarse landschap werd doorvlochten door vrolijke zwarte draden die alle kanten opstaken. En het voelde alsof er een satanische mannenhaatster van 176 kilo met grote boerenklompen op aan het springen was. PIJN.
De dames die het lezen wellicht hebben volgehouden en tot deze zin zijn aanbeland verzuchten nu: “Ja, maar alle mannen zijn ontzettende jankers en aanstellers en kleinzerige zeikerige rotpeuters! Wij doen bevallingen en scheuren dan in en uit van navel tot bilnaad! En geven geen krimp behalve een oprechte glimlach omdat we een weliswaar lelijk maar toch lief kind mochten ontvangen!”

Daar hebben jullie een punt, o hennarood geverfde bozige types, mannen staan er om bekend dat ze bij het minste of geringste gaan kermen als halfdoodgeknuppelde walvispuppies, wijs naar een voetballer en hij ligt al stervend op de grond. I know. Ik ben dus niet zo. Ooit had ik een broodmes in mijn vlees, gelukkig kwam die niet door het bot, met een fontein aan slagaderlijke bloedingen tot gevolg. (De jongste telg had het mes vast en ik nam het manmoedig van haar over, waarbij ze haar handje met daarin nog het dodelijke wapen fluks terugtrok, zodoende de tanden van het mes in mijn vlees dringende.) Ik verloor in een mum van tijd 8 liter bloed maar bleef kaarsrecht staan en sprak tot mijn echtgenote:  “Help, help, ik ga dood”.  Of nee, ik zei: “Komaan vrouwmens, draal niet en breng mij dalijk naar het hospitaal.” Enfin.

Wat ik zeggen wilde is het volgende: de zwellingen werden erger en erger, paarse skippyballen in de pantalon, ik kon alleen nog heul, heul wijdbeens zitten met een groen hoofd. Dus de poli gebeld. Drie keer. Daar werken alleen vrouwen. Ze hoonden alles weg. Uiteindelijk mocht ik de dag waarop de uroloog op vakantie ging komen. Dat was een vrijdag! De dag waarop altijd sterilisaties plaatsvinden. De wachtkamer zat vol met zenuwachtige mannen en boosaardig genietende vrouwen. En daar kwam ik binnen. Een groene, strompelende, wijdbeense schaduw van een man, die zich moest vasthouden aan de muur. Alle mannen renden gillend weg, ware het niet dat hun vrouwen hen met enkelbanden aan de in de grond verankerde tafelpoten hadden geketend. Zonder gekheid: mijn deernis werd in hen gekopieerd. Dat was leuk! De uroloog keek me diep in de eh… ogen. Ik zong “Jantje zag eens pruimen hangen o als eieren zo groot…” De uroloog zei: “Ja.” Hij lachte geeneens. Wel noemde hij me een pechvogel. Dat was leuk om te horen. Ik kreeg antibiotica mee en pijnstillers die eigenlijk op de lijst van Verdovende Middelen thuishoren.

Ik strompelde weer weg aan de arm van de vrouw met wie ik nooit meer een intieme relatie zou gaan hebben, door de wachtkamer alwaar de resterende heren flauwvielen. Ik liep langs de balie waar de Surinaamse mevrouw me vroeg: “Had je nou écht wat?” Ik stamelde “Ja”, ze zei: - Surinaams accent – “Zie je wel, zei ik toch.” 

Nu heb ik nog één struisvogelei en één kippenei. Komt goed.


vrijdag 21 februari 2014

Geknipt

Vandaag was ik weer gezellig bij mijn Koerdische kapper. Dat is altijd erg prettig, want we vergelijken dan altijd Koran en Tora-verhalen en hebben het uiteraard ook over het Midden Oosten waarbij we dan de prestaties roemen van respectievelijk Israel en Koerdistan. Ooit sprak hij vaak lacherig over de vrome types die in onze buurt wonen, hij had het niet op die scherpslijpers, maar sinds ze zich bij hem laten knippen hangt tóch de islamitische geloofsbelijdenis boven de deur en knipt zijn vrouw alleen nog kinderen en vrouwen. Pragmatisch zakendoen! Ik begrijp het wel, zaken zijn zaken. Enfin, ook vandaag was het leuk. Eerst hadden we het over de zoons van Ibrahim/Abraham/Awraham. Volgens hem waren dat Isjmaïl en Davoud. Ik dacht eerder aan Jitschak, en na een tijdje zei hij ook dat het inderdaad Isjak was. Dit soort gesprekjes voerden we altijd lachend, allebei overduidelijk niet vroom. Hij begreep sowieso die vrome types niet. Halal dit en Haram dat. We waren het erover eens dat als je niet in aanraking wil komen met zaken die haram of treife zijn, dat je het hier dan wel heel erg zwaar moet hebben. Zelfs het weer is hier haram. Daarna werd het serieuzer. Van de week was een Almeerse jihad-strijder in het nieuws geweest, ene Khalid, die op de foto was gezet terwijl hij een pas van zijn romp gescheiden hoofd omhoog hield. Een vrouwelijke klant was in zijn winkel boos geworden en had gevraagd waarom “jullie niet naar school gaan in plaats van jezelf op te blazen”. Dus mijn kapper vroeg mij bezorgd of de terrorist in kwestie inderdaad een Koerd was! Terwijl hij met mijn dunner wordende haardos in de weer ging mocht ik op mijn telefoontje aan de google. Dat viel nog niet mee. Een piekerende kapper knipt vast met gemak per ongeluk je doorlopende wenkbrauw af. Ook heb ik steeds meer moeite de lettertjes op het schermpje van mijn HTC te lezen aangezien dat ding steeds ouder wordt. Mijn kapper vertelde ondertussen dat het eigenlijk nooit voorkwam dat een Koerd een aanslag pleegde omdat zij  liever hun land opbouwden in plaats van een zekere ideologie of hun vlees over de aarde te verspreiden. Ik vroeg hem of Khalid überhaupt een Koerdische naam was. Arabisch vond hij. Maar Koerdisch kon ook. Enfin, om een lang verhaal kort te maken: de misdadige betweter in kwestie kwam uit Irak. Dan kon hij dus nog steeds een Koerd zijn, want dat nebbisje gebied is verspreid over Irak, Iran, Syrië en Turkije. Uiteindelijk trokken we samen de conclusie: de man was géén Koerd.
Dat was wel een hele opluchting. Bleef de vraag waarom de vrouw uitgerekend hém er op had aangesproken. Hadden we meer gemeen dan onze verschuivende haargrens.


zondag 16 februari 2014

De vaders

De vaders van Talmoed Tora. Elke zondag, als hun joodse kroost les krijgt in geschiedenis, ivriet, nou ja, alles wat met jiddisjkait te maken heeft en soms ook niet, zitten de niet-joodse vaders te wachten in de hippe lounge-ruimte van de LJG Amsterdam. Geduldige vaders. Ze moeten het enkele uren volhouden he. De een leest een boek, de ander leert Russisch, vaak zitten ze ook gewoon gezellig te ouwehoeren. Ooit besloten ze, of misschien wás er geen keus, om hun kinderen in de traditie van de joodse moeders op te laten groeien. Hun eigen achtergrond wordt min of meer genegeerd, of het nu gaat om buitenissigheden als de waals-gereformeerde kerk, hugenoten, Vrij- of Oud-Katholicisme, wat dan ook…. De keus is gemaakt, hun kinderen zijn joods en dát zullen ze weten. Ze gaan mee naar sjoel, de geduldige vaders, ze maken de joodse groei mee van hun kroost tot aan de bar of bat mitswa maar zullen altijd relatieve buitenstaanders blijven. Ze vinden het niet erg. Soms zullen ze wat melancholisch terugdenken aan hun eigen opgroeien, hun eerste communie, de belijdenis, hun doop wellicht… Dingen waar hun joodse kids geen weet van hebben. Misschien zullen die er ooit naar vragen en dan zal de geduldige vader het geduldig uitleggen. De aandacht zal snel verslappen. Niet de wereld van de joodse kinderen, geen Bne Akiwa of Haboniem, maar Catechisatie, geen Netzer maar Geref. Herv. Jongelingsvereniging. Al de herinneringen en de soms ook eeuwenlange tradities worden opzij gezet voor de joodse opvoeding. Dat is niet niks, daar verdienen de vaders respect voor. Maar niemand staat er bij stil en dat is óók goed. Zij hebben er vrede mee en zijn er trots op. Ze zullen nooit helemaal deel uitmaken van de wereld van hun kinderen, geen talliet om hun gezin heenslaan met jom kippoer, geen beracha zeggen over de wijn op sjabbes…Maar ze gaan méé in alles wat er gebeurt, ze leren méé en zijn er trots op dat ze ‘ledor wador’ helpen bewerkstelligen. Daar doen ze een stapje voor opzij gedurende hun hele leven. Ik vind ze tof, deze vaders.



Geschreven voor Christenen voor Israël http://christenenvoorisrael.nl/2015/02/de-vaders/

zaterdag 15 februari 2014

De vaat

Mijn vrouw houdt van bio. Biologisch, biotex, bioindustrie, als het maar bio is. Dat kost een man een godsvermogen, al die rechtsdraaiende fietsbanden, bij maanlicht door ongestelde maannimfen geplukte zeeanemonewortelpuntjes, in een middeleeuwse grot gebakken ranonkelstruikkoekjes, rodondenderondrankdrek, onbespoten snorkelkontjes, en cetera en zo verder zo voort. Het biogebeuren strekt zich verder uit dan levensmiddelen alleen. Ook het huishouden moet eraan geloven. Zeep, met de mond geboetseerd door tandeloze 90-jarige peniskokers uit Toekatoekaland, op 30 graden gewassen tweedehands toiletpapier bestaande uit nog levende sponzen afkomstig uit het Babylonische reuzelmeer, haargel gemaakt van gemalen gefermenteerde mars-aubergines en zo verder, cetera usw.
Vandaag waren de nog door mij gekochte vaatwasblokjes op. Die kwamen uit een enorme grote kartonnen ton bij de Praxis en waren lekker goedkoop, lekker veel en hartstikke goed want de gaten vielen al in je huid als je er alleen maar naar wees. Welnu, die waren OPPERDEPOP. Het enige in huis aanwezige alternatief bestond uit ecover blokjes van waarschijnlijk een rijksdaalder per stuk, ooit om 12 uur des nachts met volle maan door mijn vrouw geoogst in een macriobiotisch biotopisch geweldloos communicerend aanrechtkastje gepaard gaand met het geklepper van een zwanger cimbaal.
Niets aan te doen. Ik deed het blokje als altijd huiverig in het daarvoor bestemde vakje en sloot den deur des afwasapparaats. Op een krukje ging ik erbij zitten en legde mijn hand tegen de knop van de vaatwasser om hem, zoals in de gebruiksaanwijzing van de bioblokjes stond, te bedanken voor het werk dat hij zo onbaatzuchtig verrichte voor mij en mijn gelukzalige gezin. Een uur lang. In vijf talen want anders was ik chauvinistisch.
Na dat uurtje bedankjes prevelen was de vaatgodin klaar en ik opende haar grote klep en constateerde dat de vaat NIET SCHOON was.

Toen ik bij zinnen kwam riep ik mijn vrouw, die uiteraard niet kwam. Toen ik het haar vriendelijk vroeg kwam ze gelijk kijken. Ik vond het fantastisch. Die dure troep van haar, bestaande uit gemalen schelpen en bioresonantiestralen DEED het dus NIET. Triomf, triomf, TRIOMF der ouderwetschen mannelijken MAN!! Ze keek me aan. Ze wees. Ik had het plasticje niet van het blokje gehaald. Hoofdschuddend slaakte ze een zucht en ging verder met breien. Hysterisch gillend ging ik met mijn hoofd tegen de vloer van de keuken bonken.


zondag 26 januari 2014

Een bijzondere dag

Vandaag was de dag van de Auschwitzherdenking in het Wertheimpark. Ik herinner me vorig jaar nog: ijzige kou, regen, kinderen van Talmoed Tora die een grafkrans in de handen gedrukt kregen om neer te leggen namens de Oud-Katholieke Vrouwenvereniging van Zwollerkerspel e.o. Dit jaar was ik er niet bij. Ik zette de twee oudste jeledjes af bij de Stopera, zij namen de honneurs waar. Een leerzame middag kregen ze ook, samen met de leeftijdsgenootjes van de NIHS. LJG- en NIHS-jeugd samen, een fantastisch toekomstgericht initiatief!

Ik moest echter terug naar sjoel, waar de overige drie kindjes joodse les hadden zoals altijd op zondag. Aangezien de Auschwitzherdenking tot 16 uur zou duren besloten we na de lessen de tijd de doden in het Joods Historisch Museum. Leuk voor de jongste drie, challe bakken in het kindermuseum. Wij daar dus heen, ik mocht rijden, mijn grootste hobby in Amsterdam.

Via een taxi-standplaats kwam ik warempel in de parkeergarage waar na 12 keer in- en uitsteken de Dacia geparkeerd was, zo ongeveer in een vak. Fijn! 70 cent per 10 minuten. Ze hebben bij de gemeente Amsterdam echt een hékel aan mensen. De verkeerde lift genomen omdat ik zo zeker wist dat dat de goeie was en uiteindelijk in het museum beland.

Knaapje vond het fantastisch. Leuk om al die dingen van thuis te herkennen, maar het aller-allerleukst was natuurlijk wel het feit dat hij overal op knopjes kon drukken, overal hoofdtelefoons, filmpjes (sommige sloeg ik maar even over) en rolstoeltrapliften. Uitermate fascinerend! Omhoog, omlaag, openklappen, hij wilde het allemaal weten. Is natuurlijk ook leuker dan het zoveelste verhaal over pesach of chanoeka. Ook was hij onder de indruk van een oud filmpje waar je mensen zag die midden in de nacht wakker werden omdat er “onraad” was en die zich dan gingen verstoppen via een heel klein deurtje achter een kast! Hoe het met die mensen is afgelopen vertel ik hem later wel.

Enfin, het was een fijne en goede dag ondanks de zweem van triestheid rondom de herdenking, ik zet een blij berichtje op facebook en we togen naar de Snoge om de oudste zoon en dochter op te halen die óók al zo’n bijzondere dag hadden gehad. Terug naar de auto, weeksalaris in de parkeermeter en hupsakee weer naar de polder. En toen zag ik de reactie van een vage kennis van vroeger op mijn vrolijke facebookposting. Ik zou mijn kinderen indoctrineren en leren dat ze Palestijnen moeten haten. Ook had ik ze vast nog nooit een moskee laten zien van binnen.

We hebben onze fijne zondag er niet door laten versjteren. Geen centje pijn om de vage kennis uit mijn vriendenlijst te schrappen. De kleinste kindjes hadden zelfgevlochten brood gebakken en op de sjofar geblazen, de oudste kinderen hadden de doden herdacht en nieuwe vrienden gemaakt. Dát was onze dag.

zaterdag 25 januari 2014

Fascinerend.

Ik ben natuurlijk ook maar een eenvoudige sloeber met een motorfietsje. Geen Harley Davidson Extra Long Short Penis Compensating Electra Super Glowing in the dark Mark XXVII van 60000 euro, maar een VEB Motorradwerk Zschopau Einzylinder-Telegabel-Zentralkastenrahmen 301 van 600 gulden. Geeft niks, hij kan niet harder dan 130 en dat is genoeg, anders val ik er toch maar af.
Enfin, als je motor rijdt ‘heb’ je iets met andere motorrijders. Een beetje zoals wanneer je opeens iemand ontmoet die Polak heet of die ook niet langer is dan een Amsterdammertje, je kent het wel. Zolang ik dan niet vertel dat ik op een tweetakt-brommer van 23 pk rijd is dat gevoel meestal wederzijds. Reeds.
Ik deed donderdagavond boodschappen in de plaatselijke supermarkt en zag daar drie hele grote kerels met leren benen en ruwborstelige kinnen huzarensalade kopen en pils, heel veel pils. Aangezien men doorgaans de AH niet betreedt per gemotoriseerde tweewieler hadden dit natuurlijk ook hardrockers of daklozen met een psychiatrische achtergrond kunnen zijn, echter, ik gokte erop dat dit net als ik heuse MOTORRIJDERS waren. Mijn aan helderziendheid grenzende voorgevoel werd ondersteund door het feit dat ze alle drie achterop hun lederen frak in grote letters de woorden Motorclub Almere hadden staan. Dus! Motorrijders! Net als ik!
Nu ben ik sociaal gezien nogal een kluizenaar. U zult mij nooit in een kroeg aantreffen, omringd door kornuiten, gezamenlijk het glas heffend op vorstin en vaderland. Dat zou ook wel raar zijn aangezien we geen vorstin maar een koning hebben tegenwoordig. Wel neem ik me vaak voor mijn sociale isolement te doorbreken door me bijvoorbeeld aan te melden bij een duivenmelkersverbond of lokale plantkundige volkstuinvereniging. Maar ik heb een schurftige hekel aan die vliegende stadsratten en ik zou mijn onkruidplantsoentje het liefst asfalteren met asbest, dus daar kómt het maar niet van. Motorrijden echter, dat is iets dat wellicht leuk is om te delen met andere knapen! Dus iets voor mij, zo'n club?
Vanachter mijn met gezinsvoedsel gevulde winkelwagentje sloeg ik het drietal nauwlettend gade. Misschien was er een minimum lengte ingesteld voor potentiële nieuwelingen. Of een minimum cilinderinhoud der motorfiets. Dan zou ik met 1.79 meter en 291 cc onder hoon en bekogeld met bierviltjes en roestige zijkleppen alras weder de kickstarter van mijn MZ ETZ 301 moeten bedienen. (Neen, ik heb geen startmotor, ik trap gewoon zoals het hoort elke keer mijn enkel aan piezels.) Aannames Roel, aannames! Daar heb je het regelmatig met je vrouw over gehad! Nooit meer doen! Dus sloot ik aan in de rij dezer reuzen, geurend naar motorolie en ledervet, bij kassa drie.
Net voordat ik ze ging aanspreken viel mijn oog, het deed gelukkig niet fysiek pijn, op één van de vele badges die de grootste van de drie op zijn jas had laten naaien door zijn moeder. Het was een zwarte ruitvorm met daarin de runentekens SS. Van de linker-S was het onderste pootje verwijderd, al dan niet tijdens een schermutseling met een rivaliserende motorclub. Maar, ontegenzeggelijk, dit was gewoon, doodgewoon, een kraagspiegel van de fijne jongens van de SS. U weet wel, die rabbijnen ophingen aan de synagogen van de Oekraïne, om maar een klein voorbeeld te noemen. Is natuurlijk superlang geleden. Weet niemand meer.
Mijn eerste gedachte was om maar gewoon naar de gezinsauto te lopen met mijn gezinskarretje vol gezinsvoedsel om terug te rijden naar mijn gezin. Goh, net motorrijders gezien met SS op hun jas. Niks van gezegd natuurlijk want je weet maar nooit wat er dan kan gebeuren. Want je weet maar nooit? Want je? Watje! Ik draaide pardoes mijn winkelwagentje, terug de Appie in, waar de drie boomlange zwartlederen ariërs bezig waren de Gall & Gall te ontdoen van hun gehele voorraad uiteraard blond gerstenat.
Mag ik jou iets vragen? (Wij motorrijders tutoyeren elkaar altijd.)  Waarom draag jij een SS-kraagspiegel op je deksels stoere vetlederen motorjack, Jack? Hij keek me aan alsof ik een leeg bierflesje was, dat ook nog gevuld was met sigarettenpeuken. En dat hij daar achter kwam toen hij een slok wilde nemen. Zoiets. Is heel geen SS-ding, is een logo van een Amerikaanse motorclub. Ik zeg, dat zal wel, maar het is OOK een SS-kraagspiegel, besef je dat wel? Niks van, er miste toch zeker een pootje aan de linker-S die dus geen S was?? Dat zie ik zei ik, maar het lijkt er nog steeds HEEL ERG op! Als ik iemand een dreun voor zijn hasses geef valt die anders ook HEEL ERG hard op de grond, luidde zijn antwoord.
Ah, okee. Nou, dank voor de info. ‘k Word toch maar niet lid.

Geschreven op verzoek van de Joodse Omroep http://www.joodseomroep.nl/fascinerend/

maandag 28 januari 2013

Auschwitzherdenking Amsterdam 2013


Het was een Bonte Stoet op weg naar het Wertheimpark. Niet zo zeer bont qua kleur, iedereen was bleek qua teint en grauw gekleed, maar bont vanwege de vele verschillende paraplu’s. 
Ze waren voorzien van teksten als School met den Bijbel, Kornmehls Dieetadviezen, vrolijke paraplu’s, saaie paraplu’s. Allemaal als elk jaar op weg om weer hetzelfde verhaal te horen. Het verhaal van de 102000 Nederlandse Joden, mooi rond getal, en de 215 Nederlandse Sinti en Roma, mooi compleet getal.
Het weer was heel toepasselijk gruwelijk. Waterkoud met pijpestelen. Mijn oudste had de mitswe een krans te dragen, zijn handen voelden aan als ijswater. Net zo nat en net zo koud. Ben benieuwd hoe ik die volgend jaar weer meekrijg. Tuurlijk hóren deze weersomstandigheden bij een Auschwitzherdenking. Vrolijker weer zou ongepast zijn. Zoals Jacques Grishaver het verwoordde, het regende tranen. Het was een treurige bijeenkomst. Verkleumde oudjes, verkleumde kindjes. Uiteraard was het ook als altijd een reünie. Hee hoe is het met jou, lang gelee, maar wie bent u in godsnaam. Dat soort gesprekken. De burgemeester van Amsterdam, net zo nat als wij, speechte zoals hij dat kan. Uit het hart, krachtige woorden, mooie beelden. Zoals elke Burgemeester dat al tientallen jaren doet. Hij verhaalde van de joodse bejaarden die hij bezoekt, dat die nét wat langer over hun klein- en achterkleinkinderen vertellen dan anderen. Dat ze nooit lang over het duister in hun verleden vertellen, maar juist vooruit kijken, trots dat ze in hun nageslacht de toekomst zien. De getallen werden genoemd, de zes miljoen Joden, de 500000 Roma en Sinti, het onbegrip hoe dit heeft kunnen gebeuren. Maar ook de Rechtvaardigen die met gevaar voor eigen leven anderen hielpen.
Ik stond naast een gereformeerde meneer. Hoe ik dat weet? Geen idee, we wisselden een paar beleefdheden. Hij had een Veluws accent. Ik prevelde jizkor mee met rabbijn Ten Brink, hij niet.
We stonden dicht op elkaar gepakt in de vriesblubber. De regen van mijn paraplu lekte in zijn nek, de regen van die van hem liep over mijn wangen. Je weet wel, als je vlak onder zo’n punt van de plu staat.
Het was fijn dat het een Bonte Stoet was. Een gemêleerd gezelschap zoals de chiquere mensen zeggen. We waren samen en we stonden samen stil. In de blubber. En we dachten aan hen die zinloos stierven door toedoen van hen die een hartgrondige haat koesterden jegens de veelkleurigheid, jegens de gemêleerdheid, jegens een Bonte Stoet.

zaterdag 14 januari 2012

Sorry!

In januari verschijnt het boek "Judging the Netherlands" van Dr. Manfred Gerstenfeld. Hierin verhaalt hij van de mythe dat "de" Nederlanders zich massaal verzetten tegen vervolging en terreur en de onderduikadressen niet aan te slepen waren. Onbaatzuchtige helden, schouder aan schouder voor het joodse deel der natie.
In het boek tref je een moreel appel aan: het zou de regering sieren om alsnog excuses aan te bieden voor het vermeende lakse gedrag van volk en vaderlandse bestuurders.
Ook Geert Wilders, u kent hem wellicht, heeft dit boek gelezen. Je kunt er niet om heen; hij draagt Jodenheid en Israel een warm hart toe.
Nu heeft Ome Geert de Jodenvriend onzen Mark in een lastig parket gebracht door in de Tweede Kamer de lijn van het boek te volgen en op te roepen tot het daadwerkelijke uitspreken van die excuses.
Pardon? Mark verslikte zich pardoes in zijn jodekoek.
Ja Mark, excuses! Voor het feit dat het de regering in ballingschap geen bal interesseerde dat 100.000 al dan niet Nederlandse joden werden afgevoerd, de bekende enkele reis, stopt niet op tussengelegen stations.
Excuses voor het wegkijken, door Ronny Naftaniel betiteld als soms "erger dan dader zijn".
Geert is natuurlijk geen vriend van het koningshuis. "De majesteit" is zijn ogen een met haarlak bespoten multikulti-adorerende GroenLinksStemmer en hij zint op wraak.
Wellicht speelt dat ook mee. De oma van Bea zat als eerste in de roeiboot toen de mof op de poorten van Lobith roffelde. Snel het vege lijf gered en het volk achtergelaten.
Een groot probleem voor Mark! Zegt hij straks: "Sorry dat we jullie niet belangrijk genoeg vonden.." Dan zegt hij in feite dat Willemien inderdaad de jaren in ballingschap liever doorbracht met haar hobby’s tekenen en schilderen dan dat ze zich druk maakte om wat er voor vreselijks gebeurde met Neêrlands Joden.
Is dat feitelijk niet zo? Ze weidde zich inderdaad vol vuur aan haar kwasten. Ze had toch tijd zat. Terwijl zij het ene landschapje na het andere tot leven wekte met penseel en houtskool, doodden geweren de joden en verkoolden ze tot as. Heerlijk zo’n kunstzinnige vakantie samen met de eveneens schilderende Schwiegersohn.
Mark is een graag geziene gast bij de familie Von Amsberg-Van Oranje. Als het nu alleen gekke Geert was die opriep tot excuses, maar neen, Gerrit Zalm (ja die van de DSB-Bank) en Els Borst (integer minister) gingen hem juist voor, getuige het boek. Ik kan niet wachten. Er zal een antwoord moeten komen!
Wellicht recht Rutte de rug en spreekt hij zich uit. Dan maar een tijdje geen jodekoek in Paleis Noordeinde.



http://www.joodseomroep.nl/:artikel/sorry.html

donderdag 9 juni 2011

Joden niet gewenscht

Heftige titel nietwaar? Staat in geen verhouding tot hetgeen me laatst gebeurde en wat ik hieronder zal trachten te verwoorden. Toch kwam dit als Kop in mijn hoofd op, vergeeft u mij svp.

Niet alleen normale mensen zijn actief op internet. Ook de joodse Nederlander laat zijn sporen na op het wereldwijde web. Mensen zijn druk op Hyves, op Twitter, maar ook op LinkedIn. Facebook is zelfs een joods dorp. Heel gezellig, heel zakelijk, deels persoonlijk, deels allemaal flauwekul.

Kijk ik naar mijn eigen activiteiten dan ben ik op Twitter bijvoorbeeld druk met tweeten over onzinnige dingen als mezelf en hele belangrijke dingen als mijn collectie draaischijftelefoons, mijn pogingen door de katten aangevreten muizen te redden en mijn gezin.
Hyves heb ik niet meer, dat werd zelfs mij (jaja onvoorstelbaar ja) te infantiel, ik houd me nu ledig op Facebook en dan is er nog voor mijn kleine 500 intieme zakelijke contacten die me door en door kennen en van me houden zoals ik ben: LinkedIn.

LinkedIn dus. Een paar week geleden spitte ik mijn e-mailbestand eens door en kwam daar een oude kennis tegen, laten we hem voor de vorm Abe van ‘t Schip noemen. “Abe” heeft het goed gedaan, werkt al jaren in een ver warm land waar ze gekke kriebelige lettertjes van rechts naar links opschrijven, het gaat hem voor de wind en hij verdient centjes als majim. Hetgeen hem gegund is uiteraard.
Dus ik Abe uitgenodigd om met me te “connecten” via LinkedIn.
Helaas pindakaas, dat leek hem geen goed idee. Hij had namelijk gezien in mijn CV, dat ik werk voor het NIW en vond (ik citeer): “Klinkt misschien een beetje lullig, (..) Het woord jewish sluit hier iets teveel deuren, (..) volgens mij is het onverstandig om jou toe te voegen. (..) Tot zover de statement dat ik niet meedoe aan discriminatie... ”

Dit voelde heel apart. Je vindt iemand een goeie gozer, je hebt al jaren een beetje contact met elkaar via Facebook, hij heeft nog bij je broer in de klas gezeten en dan dit. Een beetje (ik creëer, chargeer): “Ik wil niet met jou spelen want mijn nieuwe vriendjes vinden jou stom. Dus moet ik jou ook stom vinden en mag je niet in mijn LinkedIn Vriendenboekje want anders vinden ze mij misschien ook een beetje stom en willen ze geen knikkers meer aan me geven.”

Werkelijk. Ik werd niet eens boos. Zat een paar dagen te piekeren over een gevat antwoord, maar zelfs ik, nooit verlegen om een kwinkslag, viel gewoon stil.
Ik heb het op Twitter geplempt, registreerde daar de verontwaardiging bij velen (altijd fijn als anderen wél plaatsvervangend boos kunnen worden) en liet het daar zo’n beetje bij. Ik verwijderde hem nog wel even als Facebookvriendje, HAHA, dat zal hem leren! (Of meer geld opleveren.).

Terugkomend op de vreselijke kop boven dit stukje. Totaal buiten proporties. Maar toch:


Een volk dat voor zijn antisemitische broodheren zwicht, zal meer dan faceboekvriend en geld verliezen... Dan dooft het licht…..



Gepubliceerd op de site van de Joodse Omroep, juni 2011

dinsdag 24 mei 2011

Geboorteaangifte

Voor de zoveelste keer mocht ik godzijdank geboorteaangifte doen, dit keer van een meisje genaamd Roos, geboren op 26 december 2009.  20% van mijn kinderen ging mee, waaronder de helft van mijn dochters. Waarom? Rivka wilde graag Burgemeester Jorritsma een geboortekaartje geven. En zijn wij niet allen kinderen van Annemarie? Dus mijn appeltje (eindelijk een zusje!) trots als een pauw aan mijn zij, mee naar het middeleeuwse stadhuis van Almere.

Rivka vroeg het blozend. Maar bent u dan familie? Riposteerde een verbaasde receptie-dame. Neen hoor, gewoon eenvoudige onderdanen van Hare Majesteit!
Nou, ik zal even bellen…. Ze moest het nummer wel even opzoeken want zo vaak kwam er geen bezoek voor mevrouw het opperhoofd. Het gesprek met de secretaresse was kort en duidelijk; we waren geen familie, Annemarie was er nie, maar ook als ze er wél was geweest hadden wij, enge sloebers, ons zeker niet bij haar mogen vervoegen.
Mijn appeltje slikte teleurgesteld haar traantjes weg, liet het kaartje achter voor de Onbereikbare Ongenaakbare en we togen met een treknummertje naar de afdeling Burgerzaken.

Omdat ik graag klets, hetgeen u zal verbazen, vertelde ik ons kleine drama aan de aangiftedame. Zij was helemaal niet onder de indruk. De vorige burgemeester kwam gewoon op feestjes langs en bracht dan helemaal zelluf worst, kaas en bier rond, onderwijl complimentjes rondstrooiend over de noest arbeidende ambtenaren.
Annemarie niet. Die zagen ze nooit, zat enkel in haar ivoren toren te zitten.
We kregen ook al geen kaartje terug.
De volgende keer stem ik op een andere burgemeester.


zaterdag 23 april 2011

De Verloren Zoon

Is even schrikken hè, die titel! U bent natuurlijk helemaal in verwarring gebracht en bang dat u wellicht op de site van de Missiepost Zuid Sulawesi bent beland. Welnu, vreest niet, dit is niet het geval. Kijkt u maar even rustig een decimeter boven deze tekst, daar staat keurig iets van www joodseomroepenzovoort. Heb ik u toch maar alvast een opgelucht gevoel gegeven, graag gedaan.

Over opgelucht gesproken, dat waren mijn echtgenote @i_mama (zo heet ze niet echt hoor, zou een beetje mal zijn, dit is haar twitter-alias) en ondergetekende afgelopen derde pesachdag. Onze één-na-jongste had de kuierlatten genomen. Was met de horizon vertrokken. Er tussenuit geknepen. Ook al heb je maar liefst vijf stuks kinderen, je hecht je toch aan allemaal en wilt er eigenlijk niet ééntje missen. Had u niet gedacht zeker! Je komt er achter als er één foetsie is.

Het eerste kwartier zoek je nog vrolijk, maar alras slaat de paniek toe. De hele buurt gaat zoeken, richting noord, west en zuid. Je belt de politie en vertelt van zijn oranje sokken, zijn oranje korte broek en zijn snoopy-shirt, zijn spraakproblemen, zijn lethal voedselallergie en de paniek neemt langzaam bezit van je. Het idee dat iemand hem vindt en als troost een stukje chocola zou geven… Zouden we hem alsnog kwijt kunnen zijn. Je merkt dat je kunt bidden, alhoewel je niet echt religieus bent:
“O G’d, laat het niet zó aflopen!”
Na alle ziekenhuisbezoeken, therapeuten, tests, tranen, angsten.
Juist dit ondervoede ventje van bijna 4 waren we kwijt, met zijn lijfje van een kind van 2, zijn telbare ribbetjes.

De Uittocht van Pesach was even de uittocht van ons knulletje. De politiehelicopter boven ons hofje kneep mijn strot dicht, de dreumes in de buggy bleef vrolijk.
In de AmberAlert-SMS stond niets over zijn allergie, dus ik belde nog maar eens de meldkamer van de politie. O, maar hij is terecht hoor! Hij heeft alleen wél roosvicee gehad, kan dat kwaad? Binnen vijf minuten werd er aangebeld, een agente overhandigde ons ventje aan mijn vrouw, ik kreeg de loopauto waarmee hij 2 kilometer ver was gekomen. Hij was op zoek gegaan naar het buurmeisje dat met haar moeder boodschappen was gaan doen. Een hele lieve mevrouw had hem huilend bij haar in de straat gezien en zich over hem ontfermd, zijn snot weggepoetst en hem wat te drinken gegeven. Het wonderlijke: ze had hem laten kiezen wat hij wilde, niets wetend van zijn allergie. Pak maar wat je mama je ook altijd geeft. Ze bood hem iets aan met melk erin: niet die!, had hij geroepen. Het werd Roosvicee.

Nood leert bidden zegt men en het is nog waar ook. Be’ezrat Hasjeem hebben wij Etan weer terug.

De volgende keer weer zoals het hoort, g’d-willing, een kolderiek stuk van mijn hand, zoals u gewend bent!



 Gepubliceerd op de site van de Joodse Omroep, juli 2011

zondag 6 februari 2011

Een 14-jarige op zoek naar liefde...

Toen ik een jaar of veertien was, of eigenlijk, toen ik exact veertien was, vond ik het tijd dat ik een vriendinnetje kreeg. Voor een vadsig joch met puisten een hele opgave. Aangezien ik een nogal negatief zelfbeeld had leek het me verstandig om onderaan te beginnen. Ik dus op zoek naar de stomste mokkels van de Havo. De keus was best groot, maar ik liet mijn oog vallen op een halfblinde my little pony genaamd Iris. Waarschijnlijk hadden haar ouders haar die naam uit puur sadisme gegeven. Ze was nl al sinds haar geboorte gezegend met slechts één functionerend oog. Iris dus. Net als ik fietste zij altijd in een colonne van de middelbare school in de middelgrote buurgemeente naar ons kleine boerendorp, waar iedereen dezelfde achternaam en oogopslag had. Gelukkig was ik er niet geboren, dus ze zou wel blij zijn dat haar genenpakket eindelijk eens een opknapbeurt zou kúnnen krijgen. Kúnnen, want ik moest haar eerst versieren uiteraard. Welnu, mijn poging ging als volgt: van achter uit de stoet werkte ik mij, al fietsend op mijn 24 inch Kettler AluRad naar voren in de rij, waar zij gezellig naast een zusje/nichtje/buurmeisje fietste.
Met de moed der wanhoop drukte ik mijn fiets tussen de hinnikende shetlanders en begon een dolleuke conversatie. Dat was mijn plan althans, ik had ook al een openingszin bedacht:
Moi! Zo, dus jij bent Iris! Leuke ooglap! Zelf gemaakt? Of was het een erfstuk? Zeker veel piraten in de familie? Wilde ik lollig uit de hoek komen. Vergeet het maar, ik stotterde als een gek dus dat werd Momomomomomomoi Du-du-du-dusss.. gatverdakkes! Dat ging hem niet worden. Rustig ademhalen. Nog een poging. Hahahahaha! Nee, dat was niet om te lachen, ik wilde alleen HALLO zeggen. Hahahahaha-l-lo. Proestend van de lach duwde Iris me met haar vileine zusje/nichtje in de berm, zodat mijn AluRad in de sloot en ik met mijn bakkes in het prikkeldraad kwam te hangen. En toen nog een hele stoet gillende schoolgenoten, die leuke dingen riepen. Stotterbek, ga je lekker! Heb je een zwemdiploma, zitzak! Raak je niet lek, puisterige skippybal! Enfin, geknakt, maar niet verslagen sleurde ik mijn Rad naar huis, met kletsnatte broek en boeken 2 uur later thuis.
Mijn volgende poging was op de locale kermis. Het meisje in kwestie heette Wendy, misschien heet ze nog wel zo. Ik had haar daar al een paar dagen gezien met haar vriendinnen. Uiteraard werd ze gemeden door de andere jongens omdat eh.. ze bloedstollend mooi was denk ik. Of vanwege haar pokdalige gezicht, een soort krentenbol met 1000 levervlekken. Of sproeten, niemand die het wist. Na een paar uur op een afstand te hebben gestaard en de verzekering te hebben gekregen van mijn spaarzame vrienden dat zij ook naar mij keek, stapte ik er op af. Ik moet nog even vertellen dat de hoofdattractie op de kermis bestond uit een soort draaiend ding met bakjes waar de slachtoffers in zaten. Het ding heette Hully Gully. Je werd daarin gecentrifugeerd tot je in doodsangst enthousiast ging gillen van plezier. Dat ging ik haar dus vragen: wil je met me in de Hully Gully? W-w-w-w-w-w-w-w-wil je met mmme i-in de Hu-Hully Gully? Wat zeg je? Vroeg ze me. Dus ik wederom met al mijn kracht: W-w-w-w-w-w-w-w-wil je met mmme i-in de Hu-Hully Gully??? Nog een keer mocht ik het herhalen, terwijl de tranen in mijn ogen sprongen. Ze lag en lachte helemaal dubbel. Ja, ik verstond je wel hoor! Als ik met je in de Hully Gully ga, dan moet ik kotsen! Jankend rende ik weg. Vanuit mijn ooghoek zag ik mijn goede vrienden, mijn makkers, kronkelend van de lach over de grond rollen. Pas later hoorde ik dat ze wel met me in de Hully Gully had gewild, als ze niet misselijk was geweest van de  suikerspin.  Niet lang daarna ben ik verhuisd naar een andere vlek, uitgezwaaid door de voltallige dorpsgemeenschap.

zaterdag 29 januari 2011

Prank call

U kunt zich voorstellen dat ik niet meer zo vaak op feestjes kom en dat ik nog maar uiterst zelden een uitnodiging krijg. Meestal is mijn eega de geïnviteerde. Ik zie u begrijpend knikken en inderdaad, het heeft deels ook wel te maken met mijn karakter. Edoch, er speelt meer.

Van vroeger kan ik me herinneren dat een favoriete vraag die gesteld werd boven de rosé luidde: 'Zeg, wat doe jij eigenlijk?' Zo’n vraag wordt dan vaak trots beantwoord: 'Ik ben vice-interim-management-consultant-directors-cut reeds.' 'Ach, werkelijk? Ik ben uppercut-mediageniek-pie-aar-advisery-märklintreintje.' 'Wow, klinkt goed! En jij, Abramans?' Zeg maar Roel hoor, ik ben Accountmanager en heb ook een visitekaartje, kijk maar! 'Ach, werkelijk? Account MANAGER, dat klinkt goed Ibrahims! Hoeveel dozijnen discipelen manadzj je? Een heel cohort zeker?'

Hier gaat het altijd mis, ik ga dan namelijk eerlijk vertellen wat ik doe. Weet ook niet waarom ik dat nog steeds niet nalaat, het kost je je vrienden, je familie, je aanzien, je eigenwaarde, je haarkleur, enkele centimeters van je mannelijkheid enzovoort. Ik zeg dan: ach jongen, het klinkt allemaal wel heel mooi, accountmanager, maar éigenlijk (fout) ben ik gewoon (fout) advertentieverkoper! Ja! Die moeten er ook zijn hè! Jah! Dus dus dus. Mijn gesprekspartners zijn inmiddels al schuddebuikend van me afgerold en daar sta je dan alleen bij de bar. En zo lieve mensen, ontstaat dus alcoholisme. Doordat goede mensen van eenvoudige komaf, die misschien wat slim overkomen, eerlijk vertellen dat ze een baan hebben, weliswaar een baan die voor de maatschappij op een lagere rang staat dan prostituee of autoverkoper, om maar te zwijgen van assurantieadviseur, maar wel eentje waardoor ze voor hun gezin en hun 12 kinderen kunnen zorgen.

Zucht. Tóch is het natuurlijk heel belangrijk werk, lispel ik tegen mijn zoveelste glas. Zo besloot ik laatst onder werktijd eens te gaan plassen. Ja mensen, zo ben ik. Teruggekeerd in mijn cubicle merkte ik dat ik een gemiste oproep had op mijn Ericofoon! En dan komt het commerciële mannetje in me boven hè! Laat de gemiste oproep geen gemiste kans zijn! Het zou natuurlijk ook een dolgelukkige vader kunnen zijn, die een geboorteadvertentie wilde opgeven en nu hevig teleurgesteld aan sterilisatie denkt, enkel omdat ik niet opnam, de euvele moed had om te gaan plassen!
Of een treurende weduwnaar, die snakt naar mijn troostende woorden na het heengaan van zijn teerbeminde. Ik weet dan altijd de juiste snaar te raken, joh, kop op, komt wel weer goed! Of: rot voor u zeg! Zal ik de rouwadvertentie dan maar éxtra groot maken? Dus ik terugbellen.

'Ja? Wie dar?' Goedemiddag mevrouw u spreekt met Roel Abraham van het NIW, ik zag dat u had gebeld? 'Gebald? Wat gebald? Ik niet gebald?' Nou, ik zag toch duidelijk uw numm… 'wachte wachte'. 'Ja? Papa ben jij dat?' Nou neen, ik ontken alles, ik ben Roel Abraham van het... 'Papa! Jij maakt grapjes! Hihihi!' Neen, heus waar niet hoor ik belde gewoon terug en... 'Hahahha papa toch! Gekke pappa! Hee, pappa komt binnen?' Graai, voel ik aan mijn oor. 'Ja hallo! Wie ben jai? Warrom bal jai main dogter??' Goedemiddag meneer Pappa, ik ben Roel Abraham van het Joodse weekblad NIW en ik... 'Wat jods wikblad, wat jods? Ik niet Jods wikblad u verkird nummer!' Nee, ja, ik ben van het jods ik bedoel Joodse weekblad NIW en ik... 'Jai nit mier bellen main dogter!!!' Tuuttuuttuut.

Dus. Zucht. Verrek: een voicemailbericht van dat nummer. Even luisteren dan maar.

'Hi hi hi! Stinkie!'

Geschreven voor de Joodse Omroep.