woensdag 5 september 2018

Soldaten aan de deur

Terwijl de soldaten op zijn deur bonsden dacht hij terug aan zijn mooie lange leven, dat nu weldra zou eindigen. Gezwoegd had hij, voor zijn prachtige gezin. Zijn lieve vrouw was al lang geleden overleden, maar wat hadden ze van elkaar genoten. De buren fluisterden dat ze zelfs op hun oude dag nog ondeugende dingen tegen elkaar zeiden terwijl ze hand in hand door de straat schuifelden. Hun straat eigenlijk. Niemand had er zo lang gewoond als de oude tortelduifjes. Maar nu was hij oud en alleen. De soldaten zouden hem meenemen en hij zou zijn huis nooit meer zien.

Wat hem te wachten stond wist hij niet. Er gingen geruchten, maar daar hechtte hij geen waarde aan. Hij was moe. De ooit zo vrolijke buren, die hem ondanks dat hij duidelijk “anders” was hadden geaccepteerd hadden hem de rug toegekeerd. Sommigen stonden nu te klappen en te schreeuwen terwijl de soldaten op de deur van zijn schamele woninkje bonkten. De tijden waren veranderd. Hij wilde nog even in zijn vertrouwde stoel blijven zitten, hij schaamde zich voor de tranen die in zijn grijze baard liepen. Nog even wachten. Hij keek om zich heen, naar alle herinneringen, zwartwitfoto’s van zijn familie, de meesten al dood, gestorven in Polen en nu was het zijn beurt, in handen van de Duitsers. Het onvermijdelijke.

Hij kon zich niet langer verstoppen. Wie van zijn buren hem had aangegeven zou hij wel nooit te weten komen, het kon iedereen wel zijn. Kwamen ze hem vroeger nog wel eens pannetje eten brengen, de laatste weken kwam niemand meer en op straat keken de mensen hem duister aan. Mensen die hij als vrienden had gekend wilden niets meer van hem weten. Hij hield zich voor dat ze bang waren voor de meningen van anderen, dat ze hem daarom negeerden. Hij was toch nog steeds dezelfde? Er was geen verschil. Hij had altijd meegedraaid in de gemeenschap, volop meegedaan. Dat telde allemaal niet meer.
Je kunt niet weglopen voor je wie je echt bent, dat had de geschiedenis hem wel geleerd.

Hij had zoveel joden gekend die nauwelijks wisten dat ze joods waren en werden uitgekotst door hun dorpsgenoten. Zo ging dat al eeuwen. En nu was ook hij gebrandmerkt. De soldaten schreeuwden dat hij de deur moest openen. Hij was bang voor de Duitsers. Wat zou hem te wachten staan? Hij veegde zijn tranen weg, streek door zijn baard en probeerde zijn oude rug te rechten. Dat ging nauwelijks nog. Hij keek nog een laatste keer naar de foto van zijn lachende echtgenote. Gelukkig hoefde ze dit niet meer mee te maken. Hopelijk zou er nog eens iemand langs haar graf gaan. De soldaten kwamen binnen.

Hij werd vastgehouden en hij kreeg het nog eens te horen: “Jakiv Palij, wegens medeplichtigheid aan de moord op 6000 joden in concentratiekamp Trawniki ontnemen wij u uw amerikaans staatsburgerschap en zult u worden uitgeleverd aan de Bondsrepubliek Duitsland.” Hij werd op een brancard vastgegespt en afgevoerd. Inmiddels is de 95-jarige oud SS-er aangekomen in Düsseldorf. Hij zal niet worden vervolgd voor oorlogsmisdaden maar kan zijn oude dag voorzien van alle gemakken slijten in een verzorgingstehuis in Westfalen.


Deze column is eerder geplaatst in NIW 43, 2018.

donderdag 30 augustus 2018

De Ontmoeting

Zoals jullie weten ben ik een bescheiden persoon dat zich het liefst op de achtergrond ophoudt. Mensen merken vaak niet eens dat ik er ben en nieuwsgierigheid of achterdocht is mij vreemd. Ik ben zeg maar een soort varen in een lelijke pot.

Toen ik dan ook afgelopen nacht oranje knipperlichten waarnam vanachter de gordijnen wist ik niet hoe snel ik me in mijn badjas moest hijsen om te veinzen dat er absoluut een vuilnisbak in de keuken (we hebben er vier, Almere doet aan extremistische vormen van afvalscheiding) geleegd moest worden in één van onze kliko´s (we hebben er vier, Almere enz.) in het voortuintje.
Ik dus semi-nonchalant met ogen op steeltjes zachtjes neuriënd naar buiten met de voor een kwart gevulde vuilniszak, om daar heel verrast de auto met kennelijke pech op te merken.

Er stonden drie mannen bij met een donker uiterlijk. Ze bleven als betrapt staan en staakten hun bezigheden, wat die ook mochten inhouden. Ik dacht onwillekeurig aan de sticker die ik een tijd terug op de lantaarnpaal voor ons huis had aangetroffen, die voorbijgangers er op wees dat er in ons huis Israelieten woonden, om het zo maar even uit de drukken. Eén van de mannen maakte zich los van zijn auto en kwam met ferme stappen op me af.

Dus. Auto met knipperlichten aan. Drie mannen met Noord-Afrikaans uiterlijk. Lantaarnpaal met merkteken. Man komt op me af. Met ferme stappen. Midden in de nacht.

De man die op me af kwam gaf me een hand en stelde zich voor. Reza nog wat. Verstond er natuurlijk geen klap van. Hij vertelde me dat ze het kerkgebouwtje naast ons mochten lenen van de International Church omdat ze multimediale producten maakten voor kinderen in Iran en ik geloof ook Tadzjikistan.
Hij vertelde dat ze alle drie uit Iran kwamen en nooit meer terug konden omdat daar de regels van de Islam golden.

Ik vertelde over mijn zoro-astrische (zoek maar op mocht je een versie van Google bezitten) postbode met zijn mooie gouden hanger en hoe bijzonder ik die oude Godsdienst vond. Hij beaamde dat ook de aanhangers van dit “geloof” het niet makkelijk hadden onder de sharia. De andere twee mannen lachten naar me en staken hun hand op.

Later bedacht ik me dat hij waarschijnlijk gewoon anticipeerde op wat zijn ervaring is. Mannen die eruit zien als hij worden misschien wel steevast met wantrouwen bejegend. In het donker wellicht helemaal. Dan kun je beter de buitenwereld met open blik en uitgestoken hand tegemoet treden.

Weer een mooie doordenker voor Jom Kippoer, even een ijkpunt. Hoe bejegen ik de ander, ongeacht kleur en omstandigheid?

Een goed jaar voor ons allemaal, met broederschap en harmonie! Sjana tova 5779.


Gepubliceerd in NIW 3, 2018

vrijdag 10 augustus 2018

Hoe het echt ging in de sauna


“Dag allemaal,” zou Tineke de Nooij zeggen. Ik moet iets bekennen. Dat zou ze dan weer niet zeggen. Herinnert u zich mijn vorige column nog? Uiteraard, het ging over blote mannen in een sauna, die met elkaar in gesprek waren over het Midden-Oosten en een stukje verbinding naar elkaar toe vonden toen het over Israel ging. Welnu, ik was in dit stuk niet helemaal eerlijk. Iemand suggereerde al dat je niet met een magen david (davidsster) om in de sauna kunt zitten, omdat je dan gelijk een os gebrandmerkt wordt door het verhitte edelmetaal. Dat was het echter niet, ik draag mijn ketting altijd. Wat het wel was: Ik heb een mooi einde verzonnen aan het gesprek. Maar jong, dat geeft toch helemaal niks, zult u denken. Of misschien wel hardop zeggen als u dat beter past, of als er een steekje bij u los zit. Je hebt als columnist nou eenmaal de vrijheid om de waarheid naar je hand te zetten. Toch knaagt het. Mijn krabbels in dit “krantje” zijn altijd autobiografisch en eigenlijk ook altijd bijna helemaal wáár. Waarom dan toch deze voor mij vreemde bokkesprong?

Welnu, hierom. Ik wilde graag weer eens iets lichtvoetigs schrijven, iets vrolijks, lolligs, om te lachen - na een aantal minder gezellige stukken die ik hier publiceerde. Het lukte me niet. Het gesprek is echt gevoerd, in de sauna in Almere. Het ging echt over de zonen van de genoemde heren en inderdaad, toen Israel ter sprake kwam deed ik mijn duit in het spreekwoordelijke zakje. Er kwam alleen helemaal geen verbinding. Sterker nog, ik verliet na een aantal minuten woedend de saunaruimte. Erg jammer ja. Ik zal nu maar verklappen hoe het gesprek eindigde. Bedenk: mijn gesprekspartners waren hoogopgeleide autochtone Nederlanders van een zekere standing. Ik hoop dat ze last krijgen van ingegroeide fistels.
Het oorspronkelijke en waarheidsgetrouwe einde van mijn ontmoeting noteerde ik als volgt:

“De dikste en lelijkste man, die ene die niets had om z’n ponem mee te compenseren, nam het woord. Hij zei dat hij met Israel in het achterhoofd de arabische boosheid nog wel kon begrijpen. Ik zei dat Israel toch juist haar best doet de vrede te bewaren, dat er geen Israelische zelfmoordterroristen zijn en dat Israel an sich de enige functionerende democratie in het Midden Oosten is waar arabieren in kunnen participeren. 
Nee, zei hij, dat is allemaal afleiding. En toen kwam het: “de Jood is sluw.” Zoals een oom van mijn vrouw op dat soort momenten placht te zeggen: me bloed liep weg. Ik vroeg hem wat hij precies bedoelde of zijn uitspraak gold voor álle joden, ook voor bijvoorbeeld mijn jongste kind (dat toen anderhalf jaar was) en dat wat hij zei puur antisemitisch was. “Ik mag zeggen wat ik wil, dit is een vrij land.” Hij keek zelfvoldaan voor zich uit, stuurs ook, met de armen over elkaar. Mij aankijken dorst hij niet. 

Ik kan u verzekeren waarde lezer dat de sfeer daarna niet meer optimaal te noemen was. Het werd een discussie waarbij ik steeds bozer werd en hij steeds kalmer, ik had het vast anders moeten aanpakken. De andere aanwezige mannen hulden zich in stilzwijgen. Het gekeuvel eindigde met yours tRoelie die wegliep en de deur met een klap dichtsmeet. Helaas was het een deur met een dranger, ik blijf een schlemiel. Dus hij zwabberde trillend in zijn sponning. Daarna was de druk van de ketel, maar ontspannen zat er niet meer in.”

Einde.

Geen leuke column. Geen pakkend, hoopvol einde. Niets om te lachen, enkel iets om beschaamd op terug te kijken. “Had ik het anders moeten aanpakken?” Ja, ik had hem mijn gloeiendhete Davidsster in zijn oog kunnen drukken, maar dat is niet goed voor het zilver volgens mij. Dan blijf je poetsen en ik heb wel wat beters te doen, heb ook nog een gezin en een Trabant waar ik druk mee ben. Ik wilde dat ik enkel rooskleurig schrijven kon. Dat is echter niet het geval. Dag allemaal, sjabat sjalom.


Deze column is eerder gepubliceerd op de site van het NIW, augustus 2018.

maandag 23 juli 2018

Ontspannen

Ik heb verheugend nieuws voor de visueel ingestelden onder u! Een visueel ingesteld persoon ziet doorgaans in zijn of heur hoofd beelden van door gesprekspartners geschetste situaties. Welnu, op dit moment ben ik uw gesprekspartner en ik verklap vol graagte dat ik regelmatig de sauna bezoek, slechts gekleed in mijn volle haardos die zich op mijn hoofd bevindt maar ook op belendende percelen zoals mijn gigantische rug. Terwijl u van de klap aan het bekomen bent, onderwijl “neen, neen, neen” mompelend en uw hoofd vol afgrijzen schuddend zal ik even een situatie schetsen zoals ik die onlangs mocht beleven. Met een aantal andere mannen - nog ouder en dikker dan ik, voor mij altijd een opsteker om in zulk gezelschap te verkeren - zat ik in Almere in een saunacabine. Twee van de heren waren in gesprek en in plaats van ze toe te sissen dat zulks verboden is en dat men dient te zwijgen genoot ik van hun verhalen. Ze hadden het namelijk over hun zoons en ze waren trots op hun kroost. Beide knapen dienden klaarblijkelijk in de heldhaftige armee die onder de bezielende leiding staat van onze door de Onnoembare aangestelde Vorst, dat hij leve, en waren gestationeerd in de zonovergoten landstreek die bekend staat als het Midden Oosten. Er was de jongelingen daar het één en ander wedervaren en de mannen verhaalden met name over de menslievende daden van hun knapen. Om een Fransman te citeren, geen idee welke: “Bon.” Het werd alleen iets minder gezellig toen ze begonnen over de vermeende Volkseigenschaften van de diverse volkeren daar in het altijd levendige en spraakmakende Midden Oosten. De arabieren waren eigenlijk allemaal tot op het bot verrot en te wantrouwen en democratie was aan deze barre schepselen niet besteed. Ze maakten allemaal ruzie met elkaar en de diverse stammen konden nooit in vrede samenleven. Het beste was toch wel om onze handen ervan af te trekken en ze allemaal een mooi kanon te geven zodat ze de wereld een plezier konden doen en ze elkander tot een heerlijke warme en dampende brei van borrelende ingewanden konden reduceren of in de beleving dezer mannen, opwaarderen. Gelukkig greep iemand in. Die vond het wel ver gaan om én alle mensen in het rijkelijk met zandstranden gezegende Midden Oosten over één onwelriekende luizenkam te scheren én de goeden op zo’n verdrietige wijze te laten lijden onder de talrijke, dat dan weer wel, kwaden. Niet overal staan de bevolkingsgroepen elkaar naar het leven, het gaat ook heus wel ergens goed. Hier voelde ik me geroepen om ook een duit, nou eigenlijk een shekel, in het harige zakje te doen. Ik noemde Israel als voorbeeld, als een plek waar ondanks de narigheid, toch óók sprake was van een samenleving waar verschillende mensen van uiteenlopende pluimageriën op zijn minst vreedzaam langs elkaar heen, maar ook wel écht sámen konden leven. Naakt rund dat ik was! Ik werd aangestaard alsof ik net met een meetlat in de hand had voorgesteld ieders mannelijkheid te gaan vergelijken. De dikste en lelijkste man, die dat helaas ook niet met iets anders kon compenseren, nam het woord. Hij zei dat hij met Israel in het achterhoofd de arabische boosheid nog wel kon begrijpen. Ik zei dat Israel toch juist haar best doet de vrede te bewaren, dat er geen Israelische zelfmoordterroristen zijn en dat Israel an sich de enige functionerende democratie in het Midden Oosten is waar arabieren in kunnen participeren. Er ontspon zich uiteindelijk een mooi gesprek en ik was in staat wat begrip te kweken voor Israel. We sloten het gesprek af toen we al zo goed als gesmolten waren. Hij zei: “Ik begrijp wel dat jij het opneemt voor Israel, je bent tenslotte joods.” Beschroomd keek ik naar beneden waar het onomstotelijk bewijs van mijn identiteit hing. Ik zei dat ik hier in de sauna inderdaad niet kon ontkennen dat ik joods was, daar kon niemand omheen, het bewijs was duidelijk aanwezig. “Zo is het,” zei hij. “Ik zag zelden zo’n grote. Is die Davidsster van zilver?”


Eerder gepubliceerd in NIW 39, 2018 en online op http://www.niw.nl/ontspannen




vrijdag 15 juni 2018

Alleen

Onze oudste wordt vandaag zeventien jaar. Onvoorstelbaar wat een mijlpaal.
Zijn laatste jaar als kind is ingegaan. Want als je kind achttien wordt is het gelijk volwassen. Heb je er geen omkijken meer naar, woont hij/zij zelfstandig. Verdient het kind geld en denkt het na over de namen van je kleinkinderen. Onzin natuurlijk. Mijn eigen ouders hebben me geleerd dat je kind altijd (je) kind blijft, hoe oud het ook is. Maar wat zijn de omstandigheden nu anders dan zeventien jaar geleden!
We woonden vrolijk in Zwolle en er was nog geen sprake van terreurdreiging. De Twin Towers zouden het nog drie maanden volhouden, Theo van Gogh pafte er vrolijk op los met drie jaar in het verschiet. Soms stond er een politiebusje voor de sjoel. De agenten kregen thee. Dat was het wel. Ongedwongen Joods leven met af en toe een donkere wolk, zoals elk mens die in zijn leven wel ontmoet. We verhuisden naar het West’n, omdat we meer Joods leven wilden en dat is in Amsterdam en omstreken nou eenmaal voorhanden.
Langzaamaan werd het leven ingewikkelder. Ik hoef het u niet uit te leggen, ook u ziet de vestingen waarin de synagogen zijn veranderd, het onvoorstelbare gedoe als je je kind naar een Joodse school brengt. De stress. Het sussen. Ook nu nog zijn er genoeg mensen die zeggen dat het tussen onze oren zit. Dat we ons bang laten maken, dat er eigenlijk niet zoveel loos is. Vandaar ook de tienduizenden Franse Joden die inmiddels zijn vertrokken naar Israël. Die gaan daar heerlijk een paar decennia op vakantie natuurlijk. Want er is eigenlijk niks aan de hand. ‘Ha, maar dat is buitenland hè! Das heel nie hier hee!’ Oké. Laten we het dicht bij huis houden, helemaal prima.
Unheimisch
Ik pik een willekeurige dag, een dinsdag, drie weken geleden. Mijn toen nog niet jarige kind ging met school op reis naar een Duitse universiteit. Gezellig met andere pubers in een bus, dolle boel. Totdat de jongen naast hem ontdekte dat hij naast een Jood zat en per se ergens anders wilde zitten. Hij vertelde mijn zoon hartverwarmend dat hij hoogstpersoonlijk de Joden zou uitroeien. Dezelfde dag hoorde ik van een vriend dat hij die ochtend was afgesneden door schreeuwende mannen in een auto. Het werd bijna een ongeluk. De mannen hadden hem op de korrel genomen omdat hij een keppel droeg. In de middag belde ik met een klant die me vertelde dat ze geen zaken met me wilden doen omdat ik Jood ben. Een schrale troost: ook met ‘negers’ wilden ze niets te maken hebben. Deze drie dingen, op één dag. Er is natuurlijk niets aan de hand. Niemand is gewond geraakt. Het viel reuze mee. Mensen met rood haar hebben het ook moeilijk. Bagatelliseer maar door. Er hangt wel degelijk wat in de lucht, en het geeft me een unheimisch gevoel.
Laten we toch weer eens over de grens kijken: De VN stemde de afgelopen week over het onzalige plan van Algerije en Turkije om voor de zoveelste keer Israël aan de schandpaal te nagelen voor gewelddadigheden die op zijn pad kwamen. Het maakt niet eens uit waarover de resolutie echt ging, het is toch elke keer hetzelfde liedje: Israël is vreselijk, de Palestumpers zijn ook vreselijk, maar dan vreselijk zielig. Net even wat anders. Afijn. Honderdtwintig landen steunden de resolutie, vijfenveertig onthielden zich van stemming (en spraken zich niet uit, steunden Israël niet). Acht landen stemden tegen. Acht! Uiteraard zaten hier de VS en Israël zelf bij. Onder de landen die voor de resolutie stemden vinden we België, Frankrijk en Spanje. Ons eigen heldhaftige Nederland onthield zich van stemming.
We staan er alleen voor. Wereldwijd.
Deze column stond eerder in NIW 35, 2018 en online op https://www.niw.nl/alleen/

dinsdag 22 mei 2018

Afscheid

Ik repte me naar het adres dat op haar kaart stond. De dag ervoor, toen één van mijn kinderen me de envelop gaf was ik even bevroren. Ik meende haar handschrift te herkennen, alhoewel wat slordiger geschreven dan ik van haar gewend was. Bij binnenkomst trof haar rieten kist me als een stomp in mijn hart. Tranen renden over mijn wangen als lenige kikkers over een nat grasveld. Eigenlijk bestaat een rieten kist niet, vind ik. Een kist is van hout, is degelijk. Planken. Een mand is van riet. Maar om nou te zeggen dat ze in een rieten mand lag, nee, dat klonk ook gek. Als een spinnende warme poes gerieflijk opgekruld in plaats van koud en dood en stil. Een maand geleden had ik haar nog bezocht. Ze had me een appje gestuurd: “Hee, mijn aardse bestaan loopt ten einde, als je me nog wilt zien moet dat nu gebeuren.” Gezien onze ingewikkelde geschiedenis vroeg ik maar voorzichtig of ze dat graag wilde. Ze dacht van wel en ik ging. Het was helend. Ik had haar zo’n 20 jaar geleden voor het laatst gesproken en ondanks de pruik was ze weinig veranderd. De morfine-pleisters hielden haar gaande en ze vertelde vol trots over haar neefje en nichtje, liet me haar konijntjes zien die vrolijk over de plankenvloer hobbelden en informeerde honderduit naar mijn kinderen. Zelf had ze tot haar verdriet geen man en geen kinderen, ze worstelde met het idee dat ze niets zou achterlaten. Ook liet ze me trots haar autootje zien, deze zou straks naar haar overbuurvrouw gaan. Hartelijk als ik ben zei ik dat ik het maar een saaie Japanner vond. Die auto, niet die buurvrouw hoor. Ben geen racist he. Fronsend en met een meewarig glimlachje keek ze naar mijn Trabant. Ik realiseerde me dat ik een dochter van school moest halen en ik nam enigszins gehaast afscheid. Een laatste omhelzing, een laatste kus. Een beetje verward tweetakte ik terug naar huis. De dag erna appte ik dat ik het fijn vond haar nog even gezien te hebben, er waren dingen uitgesproken en het was goed. Zij beaamde dat. Ik realiseerde me pas de dag erna dat dit echt de laatste keer was geweest. Op vrijdag appte ik haar een laatste groet, ik vertelde dat ze belangrijk voor me was geweest, dat ik veel van haar gehouden had en dat ik de herinnering aan haar voor altijd in mijn hart zou bewaren. Zaterdag overleed ze. Daar lag ze in de kist/mand. Vijfhonderd jonge mensen in de zaal, allemaal veertigers net zoals zij, tranen, maar ook vrolijkheid. Haar zus refereerde aan me in haar toespraak als “de eerste grote liefde met wie ze op reis ging naar Israël.” Dat hakte er wel even in. Toevallig die dag ook nog Jom Ha’atsmaoet. Opgegroeid in een gezin dat je zou kunnen omschrijven als “ongelovig” (voor zover dat bestaat) sprak haar zus de hoop uit dat ze toch nog ergens was, met ze meekeek, genoot van de mooie woorden en de door haar uitgekozen muziek. Die vraag had ze mij bij het laatste bezoekje ook gesteld: “Denk jij dat het ophoudt?” Ik zei: “Nee, het houdt niet op. Verder weet ik ook niks, maar dood is niet dood.” Ze keek me twijfelend aan. Toch ben ik ervan overtuigd, vraag me niet waarom. Zoveel verschillen we niet van elkaar. Haar hart klopt niet meer, het mijne wel, maar dat was het wel. Denk ik. We zijn allemaal een zucht van de Eeuwige, elk mens is kostbaar. Dat houdt niet op. Ik condoleerde haar moeder die me aanvankelijk even niet herkende. Niet vreemd als je bedenkt dat het 23 jaar geleden was dat ik uit hun leven was vertrokken. Het kwartje viel en ze zei dat ze het geen goed idee van haar had gevonden me uit te nodigen vorige maand. “Ik zei; zou je dat nou wel doen?? Maar ja, zoals je weet koos ze altijd haar eigen weg.”
Einde
Deze column stond eerder in NIW 30, 2018.

dinsdag 3 april 2018

Terug in Egypte

Het mooie van Pesach is het bevrijdende gevoel dat je ervaart als het weer afgelopen is.
Na een dikke week matses naar binnen harken tot je wit ziet van ellende en snakt naar een
pistoletje hamkaas zonder ham mag je weer als vrij vrouw of man (hopelijk van goede naam)
de wereld in, zonder ketenen, richting het licht, de lente, de zomer.

Is dit echt zo? Zijn we vrij? Ik denk dat het in de praktijk erg tegenvalt. We laten ons leiden
door emoties, door angst en laten ons hierdoor dusdanig manipuleren dat van echte vrijheid
geen sprake meer is. Onze ongedwongenheid, waar is ze gebleven? Kunnen we ons naar
de buitenwereld nog zonder enige schroom profileren als joden? Ik denk dat onze nieuwe
slavernij daaruit bestaat dat dat niet meer kan - of dat we onszelf dat niet meer toestaan.
Deze nieuwe slavernij zit hem dus niet in gedwongen werkzaamheden - alhoewel ik als
vader van een groot gezin vaak genoeg wordt gedwongen met een kleine slavendrijver op
mijn rug als paard te functioneren terwijl ik de etensresten van het genoemde tweejarige
slavendrijvertje tussen de kieren van ons sedert lang versleten laminaat vandaan probeer te
peuteren - deze nieuwe onvrijheid zit in ons hoofd.

Ons hoofd. Dat was altijd de plek waarvan je dacht dat je vrij was, hier golden alleen je
eigen wetten, als je die jezelf al oplegde, maar nu regeert daar meer en meer de Farao
genaamd Onbehagen de Zoveelste. We worden opgejaagd door angst, door onrust. Lang
riepen we dat het wel meeviel, maar dat punt zijn we nu voorbij: het valt niet mee.
Zo kunnen we al een tijdje niet meer bekeppeld gaan en staan waar we willen, we kunnen
ons niet meer overal uitspreken als zionisten (mochten we dat zijn uiteraard… en voelt u de
nieuw lading van dat woord? Niet om vrolijk van te worden.)
Wist u dat de uitdrukking “zich gedeisd houden” een jiddische oorsprong heeft? Natuurlijk
weet u dat, u leest het NIW, u weet alles. Toch, voor de enkeling die op de Bijzonder Lagere
School alleen maar heen en weer wiegend uit het raam staarde zal ik het even laten
uitleggen door meneer Van Dale. Die zegt hierover: “Gedeisd komt van het Jiddische deisje
("hou op, stil").”
Joden moeten zich al 2000 jaar gedeisd houden, enkele gouden of zilveren decennia
daargelaten. Het leek wat beter te gaan, maar de goede oude tijd is bezig aan een opmars.
We kunnen ons daar niet aan ontworstelen, dit feestje van herkenning gaat gewoon door,
we worden meer en meer gedwongen ons gedeisd te houden en wellicht uiteindelijk de
Noordzee te splitsen tot aan Cyprus en ons in gang te zetten richting het Beloofde Land,
waar we worden opgewacht door cursusleiders Ivriet en torenhoge huizenprijzen.

Zoals altijd probeer ik er een beetje lollig over te doen, maar het is natuurlijk verre van
grappig. De gemeenteraadsverkiezingen zijn net geweest, in 13 steden zijn
volksvertegenwoordigers gekozen voor wie het bestaansrecht van Israel op z’n minst
discutabel is en waarvan een deel zonder twijfel een hekel heeft aan joden en hun -dom.
Waait wel over? Nee, die partijen are here to stay. We kunnen hard optreden tegen
antisemieten (doen we niet) we kunnen ons uitspreken (doen we met mate), het zal niet
helpen. Hoe vrij we onszelf achten in ons denken, hoe tolerant naar anderen toe, de
groeiende groep ‘anderen’ die ons, onze manier van denken, onze democratie niet ziet zitten
zal niet veranderen. Hun groepsdruk zal dat nooit toestaan, ze zijn slaaf van hun eigen
sociale structuren en denkpatronen, ook al ervaren ze dat waarschijnlijk niet zo. Ze voelen
een warm nest waar het “ons΅ belangrijker is dan het “ik” - terwijl dat bij de mensen buiten
hun groep vaak precies andersom is.

Maar wat doen we zelf? Blijven we slaven van Farao Onbehagen of verlaten we de
bouwplaats van de piramides van de angst? Om te beginnen: we moeten. We kunnen niet
als zenuwelijers blijven klagen en elkaar - dat doen we ook - banger en banger blijven
maken. Laten we onze troffel ter hand nemen en bouwen aan onze eigen vrije wereld. Om te
beginnen in ons hoofd. Ons uitspreken tegen antisemitisme, we zullen ons vrijer voelen.
Maar daarna…. volgend jaar in Jeruzalem?

Eerder gepubliceerd in NIW 24, 2018.

vrijdag 9 maart 2018

Nooit meer naar Polen

In 1991 was ik voor het eerst en voor het laatst in de voormalige Volksrepubliek Polen. Als Trabantliefhebber was ik op vakantie in de ex-DDR en ik ondernam een rit met de - toen nog - Deutsche Reichsbahn (hoe bizar om de naam van de nogal besmette Grootduitse spoorwegen gewoon na de oorlog te blijven handhaven) om via Stettin (de oude Duitse naam voor Szczecin) naar de badplaats Swinemünde (de oude Duitse Naam voor Świnoujście) te reizen. Het hele gebied daar hing aan elkaar van voormalig- ex- en voorheen, Duits, Communistisch en fascistisch. Ik was ook nog op reis met mijn toenmalige vriendin, dus dat woord kunnen we er ook nog aan toevoegen. Wat me opviel was de vreselijke grauwheid van het gebied. Alles was smerig, oud, vervallen, sinister en onvriendelijk. Waren de mensen in de ehemalige DDR nog aardig, belangstellend, hoopvol, pas licht gedesillusioneerd  of nog niet eens, in Polen was het anders. De omgeving zag er vergelijkbaar uit, maar niet de mensen. Ik vond ze lelijk, onvriendelijk, vijandig, uit op je geld en ik nam me dan ook voor nooit meer naar het land terug te keren. Ja, ik ben niet zo van de tweede kans en ben dol op generaliseren, dat houdt het leven tenminste overzichtelijk. Polen deugen niet. Enfin, ik ging een Polenloos leven tegemoet en dat beviel prima, zij kregen hun door de EU gesubsidieerde geluidsschermen langs hun stumperige snelwegen om hun magere koeien te beschermen en ik ging studeren, maakte niks af en ging werken en trouwen enzovoort. Helemaal prima.
Beetje jammer dat ik nu weer word geconfronteerd met dat volk. Ik heb natuurlijk niks tegen Polen, ik heb wat tegen de UITWASSEN van de Polen, om Greet Wilders maar even te persifleren. Wat hebben die liefhebbers van betonnen flatgebouwen en lelijke snorren nu weer bedacht? Het moest maar eens afgelopen zijn met het benoemen van feiten. Per heden is het strafbaar om te zeggen dat Polen medeschuldig is (of waren, al naar gelang de stand van je geschoren kam) aan het vermoorden van de eigen Joodse bevolking. Toen ik het op mijn radio-cassettespeler hoorde maakte mijn Trabant wel even een slinger. Een land dat haar eigen verleden ontkent en en passant de slachtoffers uitlacht, dat hebben we sinds onze eigen aanvankelijke reactie op de politionele acties niet meer meegemaakt. Je kunt nu drie jaar gevangenisstraf krijgen als je beweert dat Polen medeplichtig waren aan de misdaden van het Derde Rijk. De Israëlische journalist Ronen Bergman stelde de Poolse premier Morawiecki rechtstreeks de vraag of hij, wanneer hij zijn familieverhaal zou vertellen - zijn Pools-joodse familie was door de buren aangegeven bij de Gestapo - in de bak zou worden gegooid. Dat vond de premier maar een malle vraag, natuurlijk niet, er waren naast joodse en Duitse daders ook heus wel nare Polen.
Ik las hier even een pauze in zodat u uw zojuist uitgespuugde koffie van het NIW kunt vegen.
Als ik niet zulke dikke kuiten had was mijn broek afgezakt tot dóór het laminaat. Hij benoemde de slachtoffers als daders en noemde ze in één adem met de nazi’s. Dat valt gewoon onder de internationaal erkende definitie van Antisemitisme. (Nou ja, internationaal erkend, uiteraard nog niet door onze eigen regering hè.) De overige aanwezigen bij de persconferentie sprongen in verontwaardiging op en riepen in al hun verschillende talen naar de premier dat hij dat niet kon maken, dat hij zich moest schamen en excuses moest maken. Geintje, uiteraard deed niemand wat, hield iedereen zijn mond en liet men Ronen Bergman gewoon aan zijn verbijsterde lot over. Pfoei.
We hoeven niet verbaasd te zijn, Polen blijft (of blijven) Polen, de laatste grote pogrom vond zoals bekend plaats in juli 1946, toen uit de kampen teruggekeerde Joden te grazen werden genomen in de plaats Kielce door hun oude buurtjes die op hun spulletjes hadden gepast. 41 overlevenden werden alsnog vermoord. Door Polen.
Eerder gepubliceerd in NIW 20, 2018.


maandag 26 februari 2018

Gelul met bietjes

Waar jullie ongetwijfeld al jaren diep niet van doordrongen zijn is het feit dat ik advertentieruimte verkoop in een 15-tal bladen. Het leeuwedeel, zoals genoegzaam toch wel niet bekend zal zijn, bestaat uit christelijke tijdschriften. Ik heb dus de hele dag contact met christenmensen van diverse pluimage en richtingen. Ooit sloegen die richtingen malkander de beide hersenhelften in omdat de één beweerde dat de slang Eva met een Drents accent slissend de appel aanbood terwijl de ander ervan overtuigd was dat de slang, die toch een wrede snodaard was om zo’n arm kersvers pas geschapen vrouwmens te verleiden tot het ultieme kwaad, Duits sprak met een Syrische tongval en dat dan telepatisch omdat een slang nou eenmaal te weinig stembanden heeft om helder te kunnen oreren. Reeds. Tegenwoordig kunnen al die 734 kerkgenootschappen het redelijk met elkaar vinden en soms trekken ze zelfs de bijl uit de schedel van hun afwijkende geloofsgenoot en gaan samen in de leeglopende kerkbanken zitten zingen dat het een lieve lust heeft en je de tranen in de ogen springen. Afijn. Ik hou van die mensen en zij houden van mij, dus de verkoop loopt als een tierelier en iedereen is helemaal heppie de peppie.


Een welopgevoed advertentieverkoper trekt er zo nu en dan wel eens op uit, met een stapel bladen in zijn koffertje, gako-pak aan en gaan met die banaan. Gezellig langs bij de dierbare klanten met de bedoeling de relatie te bestendigen en ze de laatste centen uit het beursje te kloppen. Ik mocht dus naar De Dominee. De Dominee was een begrip bij ons op de uitgeverij. Naast zijn zondagse taken was hij eigenaar van een vijftal gelderse fietsenzaken en twee enorme campings. De campings huurden fietsen bij de rijwielhandelaren en om de camping te vullen met over het Smalle Fietspad huurfietsfietsende broekrokken en gesteven pantalons adverteerde de Dominee in mijn christelijke blaadjes. Dat deed hij al heel wat jaren en we vonden het wel eens tijd worden voor een persoonlijke ontmoeting. Geen probleem, ik zou graag eens komen kijken bij hem op een van de campings of juist in een van de fietsenzaken. Niets zo heerlijk als de geur van een verse binnenband. Hij wilde echter dat ik bij hem thuis zou komen eten, in de pastorie naast zijn kerk, in het Gelderse dorp. Dat vond ik reuzespannend. Ik had hem nog nooit ontmoet en nu mocht ik bij hem dineren. Wat kon ik in Hemelsnaam of eh.. in vredesnaam verwachten? Een dominee van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, de enige nog bestaande kerk van dit al in 1946 opgeheven kerkgenootschap, die zou me vast om de oren slaan met bijbelteksten, dat ik toch zo snel mogelijk met mijn Trabant de Smalle Weg zou moeten kiezen en onze joodse broer van lang gelêe zou moeten accepteren als enig middel om een eeuwigheid gillen in het borrelende ossewit te kunnen voorkomen. Dus ik mijn stoute nieuwe schoenen en mijn gako-pak aangetrokken, met de Trabant naar het Gelderse dorp. De kerk doemde op, de toren wierp een zware zwarte schaduw over de ernaast gelegen pastorie. De Dominee stond me in de deuropening op te wachten. Niet verrassend, hij zag eruit als een dominee, rijzig, zwart pak, de oogopslag van Gert Schutte van de GPV, u kent hem nog wel. Hij noodde me binnen en schonk me ongevraagd een glas wijn in. Het werd een genoeglijke avond, de dominee was een begenadigd spreker en vertelde volop over zijn wederwaardigheden als herder van een vergrijzende gemeente. Gelukkig, er waren ook jongeren in zijn kerk. Dezen lieten zich elke vrijdagavond vollopen met Aldi-bier in een stacaravan en hij sprak ze daar op aan. Ladderzat een trekker besturen in het holst van de nacht is uit den boze. Ze dienden hem van repliek: alles is toch voorbestemd, wie verloren gaat en wie niet, dus het maakte allemaal niks uit wat ze deden. “Gelul met bietjes!” baste de Dominee. “Mensen hebben twee kanten, een goede en een kwade en je kunt zelf kiezen of je als klootzak wilt leven of niet”. De jongeren waren er danig van onder de indruk. En ik ook. Dat is een hele joodse manier van denken, Dominee! Hij knipoogde naar me en schonk zijn glas weer in.

Geelkerken-foto.jpg (640×480)
Eerder gepubliceerd in NIW 15 van 2018.

maandag 19 februari 2018

Zwijgen


Terwijl ik mijn boodschappentrolley door de sneeuw sleur richting mijn favoriete pleisterplaats, de Jumbo aan het Geinplein (ongelogen) denk ik zoals wel vaker na over de dingen die er toe doen. Mijn schoenen die vol strooizoutvlekken zitten die nooit meer weg te poetsen zijn, mijn fantastische haargel die ondanks de mensonterende sneeuwval mijn coup de jeune homme gewoon fier in model houdt, antisemitisme en de wetenschap dat ik morgen maar weer es thuis blijf werken omdat mijn Trabant eh… een Trabant is met dit weer. Begin je nou alweer over dat stomme antisemitisme, hou er nou es over op, je lijkt wel een Duitser, die hadden het ook altijd maar over antisemitisme, ben helemaal klaar met dat gezeik over antisemitisme, wat een akelige woord ook, ik hoor het veels te vaak, jullie doen niet anders dan klagen, klagen, klagen, zo erg is het allemaal niet hoor, kappen nou. Oh, nou sorry, je hebt een punt, ik wil er graag over ophouden maar helaas pindatralalaas, er vált niet over op te houden want het wordt alleen maar erger! Dus ik wil er best over ophouden, gráág zelfs, maar zover is de wereld geloof ik nog niet. En niet alleen de antisemieten zijn nog niet zover, die bestormen gewoon openlijk een synagoge in Gotenburg (Spreek uit: Jeuteborje.) Met 20 man. Gemaskerd. Ze smijten brandbommen naar binnen terwijl de kids van jongelingenvereniging Bne Akiwa een braaf feestje vieren met chips en cola. De kinderen vluchtten in paniek naar de kelder (slim! een kelder onder een sjoel!) en achteraf pakt de poliesie drie schavuiten op die wat met deze belhamelerij te maken zouden kúnnen hebben gehad, eventueel. Wat zeg ik dat lekker voorzichtig he! Die jongens kunnen er ook niks aan doen. Het is toch allemaal de schuld van de 45e president van de Verenigde United States van de Amerikanen! Die haalde het in zijn poesjesgrabbelende hoofd om zomaar Jeruzalem als hoofdstad van Israel te erkennen! Dan vraag je er ook wel een beetje om! Dat een restaurant in Mokum de ruiten ingekeild krijgt en dat de joodse jongeren in Jeuteborje in de fik gestoken worden. Nee, als Trump dat nou niet gedaan had, dan was er allang wereldvrede geweest. Enfin, ik preek hier voor eigen parochie (ik droosj hier voor eigen kille?) dus ik hoef hier verder niet op door te gaan. Het punt wat ik wil maken is dat er weer een grote zwijgende meerderheid is. Geen onverschillige menigte, nee nee, een grote groep mensen die niets wil horen over islamitisch antisemitisme. Bam. Ik zei zomaar het onvoorstelbare. De kranten die berichtten over de moordpoging op de Bne Akiwa-jongeren in de Zweede synagoge noemden nergens de achtergrond van de 20 aanvallers. De Volkskrant zei ook nog (en ik citeer letterlijk, want ze sleuren je zo voor het tribunaal): “Hoewel er geen gewonden vielen, roept de aanval heftige reacties op.”
Lees deze zin maar een paar keer. “Er was eigenlijk niks aan de hand, toch gingen wat mensen emotioneel lopen te mekkeren.”
Dan spring ik dus echt uit mijn spekkige vel. 20 mannen gooien brandbommen naar een joods kinderfeest. Heel gek, maar dat vinden veel mensen dus niet zo’n goed idee, Volkskrant!
Om even terug te komen op het Grote Zwijgen: ik plaatste een berichtje op Facebook over de aanslag op de synagoge en daarvoor over de aanslag op het restaurant van de familie Bar-On en dan valt me op dat mijn rechtse en a-politieke vrienden reageren, maar niet mijn linkse vrienden. Ik hou nog steeds van ze, maar het valt me wel op. Ik weet dat ze geëngageerd zijn, begaan met dolfijnen, vluchtelingen en biologische bananen. Ze zullen echter nooit reageren op mijn ongezellige nieuwsfeiten omdat ze zich er ongemakkelijk bij voelen. Het past niet bij het wereldbeeld dat zij voor ogen hebben. Dit grote zwijgen baart me bijna nog meer zorgen dan de glasscherven op de Amstelveenseweg.

kosher-restaurant-Amsterdam.jpg (612×363)

Column eerder gepubliceerd in NIW 11, 2017.