donderdag 9 juni 2011

Joden niet gewenscht

Heftige titel nietwaar? Staat in geen verhouding tot hetgeen me laatst gebeurde en wat ik hieronder zal trachten te verwoorden. Toch kwam dit als Kop in mijn hoofd op, vergeeft u mij svp.

Niet alleen normale mensen zijn actief op internet. Ook de joodse Nederlander laat zijn sporen na op het wereldwijde web. Mensen zijn druk op Hyves, op Twitter, maar ook op LinkedIn. Facebook is zelfs een joods dorp. Heel gezellig, heel zakelijk, deels persoonlijk, deels allemaal flauwekul.

Kijk ik naar mijn eigen activiteiten dan ben ik op Twitter bijvoorbeeld druk met tweeten over onzinnige dingen als mezelf en hele belangrijke dingen als mijn collectie draaischijftelefoons, mijn pogingen door de katten aangevreten muizen te redden en mijn gezin.
Hyves heb ik niet meer, dat werd zelfs mij (jaja onvoorstelbaar ja) te infantiel, ik houd me nu ledig op Facebook en dan is er nog voor mijn kleine 500 intieme zakelijke contacten die me door en door kennen en van me houden zoals ik ben: LinkedIn.

LinkedIn dus. Een paar week geleden spitte ik mijn e-mailbestand eens door en kwam daar een oude kennis tegen, laten we hem voor de vorm Abe van ‘t Schip noemen. “Abe” heeft het goed gedaan, werkt al jaren in een ver warm land waar ze gekke kriebelige lettertjes van rechts naar links opschrijven, het gaat hem voor de wind en hij verdient centjes als majim. Hetgeen hem gegund is uiteraard.
Dus ik Abe uitgenodigd om met me te “connecten” via LinkedIn.
Helaas pindakaas, dat leek hem geen goed idee. Hij had namelijk gezien in mijn CV, dat ik werk voor het NIW en vond (ik citeer): “Klinkt misschien een beetje lullig, (..) Het woord jewish sluit hier iets teveel deuren, (..) volgens mij is het onverstandig om jou toe te voegen. (..) Tot zover de statement dat ik niet meedoe aan discriminatie... ”

Dit voelde heel apart. Je vindt iemand een goeie gozer, je hebt al jaren een beetje contact met elkaar via Facebook, hij heeft nog bij je broer in de klas gezeten en dan dit. Een beetje (ik creëer, chargeer): “Ik wil niet met jou spelen want mijn nieuwe vriendjes vinden jou stom. Dus moet ik jou ook stom vinden en mag je niet in mijn LinkedIn Vriendenboekje want anders vinden ze mij misschien ook een beetje stom en willen ze geen knikkers meer aan me geven.”

Werkelijk. Ik werd niet eens boos. Zat een paar dagen te piekeren over een gevat antwoord, maar zelfs ik, nooit verlegen om een kwinkslag, viel gewoon stil.
Ik heb het op Twitter geplempt, registreerde daar de verontwaardiging bij velen (altijd fijn als anderen wél plaatsvervangend boos kunnen worden) en liet het daar zo’n beetje bij. Ik verwijderde hem nog wel even als Facebookvriendje, HAHA, dat zal hem leren! (Of meer geld opleveren.).

Terugkomend op de vreselijke kop boven dit stukje. Totaal buiten proporties. Maar toch:


Een volk dat voor zijn antisemitische broodheren zwicht, zal meer dan faceboekvriend en geld verliezen... Dan dooft het licht…..



Gepubliceerd op de site van de Joodse Omroep, juni 2011

dinsdag 24 mei 2011

Geboorteaangifte

Voor de zoveelste keer mocht ik godzijdank geboorteaangifte doen, dit keer van een meisje genaamd Roos, geboren op 26 december 2009.  20% van mijn kinderen ging mee, waaronder de helft van mijn dochters. Waarom? Rivka wilde graag Burgemeester Jorritsma een geboortekaartje geven. En zijn wij niet allen kinderen van Annemarie? Dus mijn appeltje (eindelijk een zusje!) trots als een pauw aan mijn zij, mee naar het middeleeuwse stadhuis van Almere.

Rivka vroeg het blozend. Maar bent u dan familie? Riposteerde een verbaasde receptie-dame. Neen hoor, gewoon eenvoudige onderdanen van Hare Majesteit!
Nou, ik zal even bellen…. Ze moest het nummer wel even opzoeken want zo vaak kwam er geen bezoek voor mevrouw het opperhoofd. Het gesprek met de secretaresse was kort en duidelijk; we waren geen familie, Annemarie was er nie, maar ook als ze er wél was geweest hadden wij, enge sloebers, ons zeker niet bij haar mogen vervoegen.
Mijn appeltje slikte teleurgesteld haar traantjes weg, liet het kaartje achter voor de Onbereikbare Ongenaakbare en we togen met een treknummertje naar de afdeling Burgerzaken.

Omdat ik graag klets, hetgeen u zal verbazen, vertelde ik ons kleine drama aan de aangiftedame. Zij was helemaal niet onder de indruk. De vorige burgemeester kwam gewoon op feestjes langs en bracht dan helemaal zelluf worst, kaas en bier rond, onderwijl complimentjes rondstrooiend over de noest arbeidende ambtenaren.
Annemarie niet. Die zagen ze nooit, zat enkel in haar ivoren toren te zitten.
We kregen ook al geen kaartje terug.
De volgende keer stem ik op een andere burgemeester.


zaterdag 23 april 2011

De Verloren Zoon

Is even schrikken hè, die titel! U bent natuurlijk helemaal in verwarring gebracht en bang dat u wellicht op de site van de Missiepost Zuid Sulawesi bent beland. Welnu, vreest niet, dit is niet het geval. Kijkt u maar even rustig een decimeter boven deze tekst, daar staat keurig iets van www joodseomroepenzovoort. Heb ik u toch maar alvast een opgelucht gevoel gegeven, graag gedaan.

Over opgelucht gesproken, dat waren mijn echtgenote @i_mama (zo heet ze niet echt hoor, zou een beetje mal zijn, dit is haar twitter-alias) en ondergetekende afgelopen derde pesachdag. Onze één-na-jongste had de kuierlatten genomen. Was met de horizon vertrokken. Er tussenuit geknepen. Ook al heb je maar liefst vijf stuks kinderen, je hecht je toch aan allemaal en wilt er eigenlijk niet ééntje missen. Had u niet gedacht zeker! Je komt er achter als er één foetsie is.

Het eerste kwartier zoek je nog vrolijk, maar alras slaat de paniek toe. De hele buurt gaat zoeken, richting noord, west en zuid. Je belt de politie en vertelt van zijn oranje sokken, zijn oranje korte broek en zijn snoopy-shirt, zijn spraakproblemen, zijn lethal voedselallergie en de paniek neemt langzaam bezit van je. Het idee dat iemand hem vindt en als troost een stukje chocola zou geven… Zouden we hem alsnog kwijt kunnen zijn. Je merkt dat je kunt bidden, alhoewel je niet echt religieus bent:
“O G’d, laat het niet zó aflopen!”
Na alle ziekenhuisbezoeken, therapeuten, tests, tranen, angsten.
Juist dit ondervoede ventje van bijna 4 waren we kwijt, met zijn lijfje van een kind van 2, zijn telbare ribbetjes.

De Uittocht van Pesach was even de uittocht van ons knulletje. De politiehelicopter boven ons hofje kneep mijn strot dicht, de dreumes in de buggy bleef vrolijk.
In de AmberAlert-SMS stond niets over zijn allergie, dus ik belde nog maar eens de meldkamer van de politie. O, maar hij is terecht hoor! Hij heeft alleen wél roosvicee gehad, kan dat kwaad? Binnen vijf minuten werd er aangebeld, een agente overhandigde ons ventje aan mijn vrouw, ik kreeg de loopauto waarmee hij 2 kilometer ver was gekomen. Hij was op zoek gegaan naar het buurmeisje dat met haar moeder boodschappen was gaan doen. Een hele lieve mevrouw had hem huilend bij haar in de straat gezien en zich over hem ontfermd, zijn snot weggepoetst en hem wat te drinken gegeven. Het wonderlijke: ze had hem laten kiezen wat hij wilde, niets wetend van zijn allergie. Pak maar wat je mama je ook altijd geeft. Ze bood hem iets aan met melk erin: niet die!, had hij geroepen. Het werd Roosvicee.

Nood leert bidden zegt men en het is nog waar ook. Be’ezrat Hasjeem hebben wij Etan weer terug.

De volgende keer weer zoals het hoort, g’d-willing, een kolderiek stuk van mijn hand, zoals u gewend bent!



 Gepubliceerd op de site van de Joodse Omroep, juli 2011

zondag 6 februari 2011

Een 14-jarige op zoek naar liefde...

Toen ik een jaar of veertien was, of eigenlijk, toen ik exact veertien was, vond ik het tijd dat ik een vriendinnetje kreeg. Voor een vadsig joch met puisten een hele opgave. Aangezien ik een nogal negatief zelfbeeld had leek het me verstandig om onderaan te beginnen. Ik dus op zoek naar de stomste mokkels van de Havo. De keus was best groot, maar ik liet mijn oog vallen op een halfblinde my little pony genaamd Iris. Waarschijnlijk hadden haar ouders haar die naam uit puur sadisme gegeven. Ze was nl al sinds haar geboorte gezegend met slechts één functionerend oog. Iris dus. Net als ik fietste zij altijd in een colonne van de middelbare school in de middelgrote buurgemeente naar ons kleine boerendorp, waar iedereen dezelfde achternaam en oogopslag had. Gelukkig was ik er niet geboren, dus ze zou wel blij zijn dat haar genenpakket eindelijk eens een opknapbeurt zou kúnnen krijgen. Kúnnen, want ik moest haar eerst versieren uiteraard. Welnu, mijn poging ging als volgt: van achter uit de stoet werkte ik mij, al fietsend op mijn 24 inch Kettler AluRad naar voren in de rij, waar zij gezellig naast een zusje/nichtje/buurmeisje fietste.
Met de moed der wanhoop drukte ik mijn fiets tussen de hinnikende shetlanders en begon een dolleuke conversatie. Dat was mijn plan althans, ik had ook al een openingszin bedacht:
Moi! Zo, dus jij bent Iris! Leuke ooglap! Zelf gemaakt? Of was het een erfstuk? Zeker veel piraten in de familie? Wilde ik lollig uit de hoek komen. Vergeet het maar, ik stotterde als een gek dus dat werd Momomomomomomoi Du-du-du-dusss.. gatverdakkes! Dat ging hem niet worden. Rustig ademhalen. Nog een poging. Hahahahaha! Nee, dat was niet om te lachen, ik wilde alleen HALLO zeggen. Hahahahaha-l-lo. Proestend van de lach duwde Iris me met haar vileine zusje/nichtje in de berm, zodat mijn AluRad in de sloot en ik met mijn bakkes in het prikkeldraad kwam te hangen. En toen nog een hele stoet gillende schoolgenoten, die leuke dingen riepen. Stotterbek, ga je lekker! Heb je een zwemdiploma, zitzak! Raak je niet lek, puisterige skippybal! Enfin, geknakt, maar niet verslagen sleurde ik mijn Rad naar huis, met kletsnatte broek en boeken 2 uur later thuis.
Mijn volgende poging was op de locale kermis. Het meisje in kwestie heette Wendy, misschien heet ze nog wel zo. Ik had haar daar al een paar dagen gezien met haar vriendinnen. Uiteraard werd ze gemeden door de andere jongens omdat eh.. ze bloedstollend mooi was denk ik. Of vanwege haar pokdalige gezicht, een soort krentenbol met 1000 levervlekken. Of sproeten, niemand die het wist. Na een paar uur op een afstand te hebben gestaard en de verzekering te hebben gekregen van mijn spaarzame vrienden dat zij ook naar mij keek, stapte ik er op af. Ik moet nog even vertellen dat de hoofdattractie op de kermis bestond uit een soort draaiend ding met bakjes waar de slachtoffers in zaten. Het ding heette Hully Gully. Je werd daarin gecentrifugeerd tot je in doodsangst enthousiast ging gillen van plezier. Dat ging ik haar dus vragen: wil je met me in de Hully Gully? W-w-w-w-w-w-w-w-wil je met mmme i-in de Hu-Hully Gully? Wat zeg je? Vroeg ze me. Dus ik wederom met al mijn kracht: W-w-w-w-w-w-w-w-wil je met mmme i-in de Hu-Hully Gully??? Nog een keer mocht ik het herhalen, terwijl de tranen in mijn ogen sprongen. Ze lag en lachte helemaal dubbel. Ja, ik verstond je wel hoor! Als ik met je in de Hully Gully ga, dan moet ik kotsen! Jankend rende ik weg. Vanuit mijn ooghoek zag ik mijn goede vrienden, mijn makkers, kronkelend van de lach over de grond rollen. Pas later hoorde ik dat ze wel met me in de Hully Gully had gewild, als ze niet misselijk was geweest van de  suikerspin.  Niet lang daarna ben ik verhuisd naar een andere vlek, uitgezwaaid door de voltallige dorpsgemeenschap.

zaterdag 29 januari 2011

Prank call

U kunt zich voorstellen dat ik niet meer zo vaak op feestjes kom en dat ik nog maar uiterst zelden een uitnodiging krijg. Meestal is mijn eega de geïnviteerde. Ik zie u begrijpend knikken en inderdaad, het heeft deels ook wel te maken met mijn karakter. Edoch, er speelt meer.

Van vroeger kan ik me herinneren dat een favoriete vraag die gesteld werd boven de rosé luidde: 'Zeg, wat doe jij eigenlijk?' Zo’n vraag wordt dan vaak trots beantwoord: 'Ik ben vice-interim-management-consultant-directors-cut reeds.' 'Ach, werkelijk? Ik ben uppercut-mediageniek-pie-aar-advisery-märklintreintje.' 'Wow, klinkt goed! En jij, Abramans?' Zeg maar Roel hoor, ik ben Accountmanager en heb ook een visitekaartje, kijk maar! 'Ach, werkelijk? Account MANAGER, dat klinkt goed Ibrahims! Hoeveel dozijnen discipelen manadzj je? Een heel cohort zeker?'

Hier gaat het altijd mis, ik ga dan namelijk eerlijk vertellen wat ik doe. Weet ook niet waarom ik dat nog steeds niet nalaat, het kost je je vrienden, je familie, je aanzien, je eigenwaarde, je haarkleur, enkele centimeters van je mannelijkheid enzovoort. Ik zeg dan: ach jongen, het klinkt allemaal wel heel mooi, accountmanager, maar éigenlijk (fout) ben ik gewoon (fout) advertentieverkoper! Ja! Die moeten er ook zijn hè! Jah! Dus dus dus. Mijn gesprekspartners zijn inmiddels al schuddebuikend van me afgerold en daar sta je dan alleen bij de bar. En zo lieve mensen, ontstaat dus alcoholisme. Doordat goede mensen van eenvoudige komaf, die misschien wat slim overkomen, eerlijk vertellen dat ze een baan hebben, weliswaar een baan die voor de maatschappij op een lagere rang staat dan prostituee of autoverkoper, om maar te zwijgen van assurantieadviseur, maar wel eentje waardoor ze voor hun gezin en hun 12 kinderen kunnen zorgen.

Zucht. Tóch is het natuurlijk heel belangrijk werk, lispel ik tegen mijn zoveelste glas. Zo besloot ik laatst onder werktijd eens te gaan plassen. Ja mensen, zo ben ik. Teruggekeerd in mijn cubicle merkte ik dat ik een gemiste oproep had op mijn Ericofoon! En dan komt het commerciële mannetje in me boven hè! Laat de gemiste oproep geen gemiste kans zijn! Het zou natuurlijk ook een dolgelukkige vader kunnen zijn, die een geboorteadvertentie wilde opgeven en nu hevig teleurgesteld aan sterilisatie denkt, enkel omdat ik niet opnam, de euvele moed had om te gaan plassen!
Of een treurende weduwnaar, die snakt naar mijn troostende woorden na het heengaan van zijn teerbeminde. Ik weet dan altijd de juiste snaar te raken, joh, kop op, komt wel weer goed! Of: rot voor u zeg! Zal ik de rouwadvertentie dan maar éxtra groot maken? Dus ik terugbellen.

'Ja? Wie dar?' Goedemiddag mevrouw u spreekt met Roel Abraham van het NIW, ik zag dat u had gebeld? 'Gebald? Wat gebald? Ik niet gebald?' Nou, ik zag toch duidelijk uw numm… 'wachte wachte'. 'Ja? Papa ben jij dat?' Nou neen, ik ontken alles, ik ben Roel Abraham van het... 'Papa! Jij maakt grapjes! Hihihi!' Neen, heus waar niet hoor ik belde gewoon terug en... 'Hahahha papa toch! Gekke pappa! Hee, pappa komt binnen?' Graai, voel ik aan mijn oor. 'Ja hallo! Wie ben jai? Warrom bal jai main dogter??' Goedemiddag meneer Pappa, ik ben Roel Abraham van het Joodse weekblad NIW en ik... 'Wat jods wikblad, wat jods? Ik niet Jods wikblad u verkird nummer!' Nee, ja, ik ben van het jods ik bedoel Joodse weekblad NIW en ik... 'Jai nit mier bellen main dogter!!!' Tuuttuuttuut.

Dus. Zucht. Verrek: een voicemailbericht van dat nummer. Even luisteren dan maar.

'Hi hi hi! Stinkie!'

Geschreven voor de Joodse Omroep.

vrijdag 28 januari 2011

A slight stutter

Wat een lot kan je treffen als je als puber stottert. Ik was zo’n puber. Klein, jongste van de klas, verdrinkend tussen de borsten van de veel grotere meiden (in my dreams) en ik stotterde dus.
Toen ik 10 was mocht ik al op assertiviteitscursus, zo heette een stottercursus in de jaren ‘80. Geweldig jôh! Hele invoelende man was dat, hij vond het heerlijk om mij heel lang in de buurt van mijn middenrif vast te houden terwijl hij achter me stond en me lekker therapeutisch tegen zich aan drukte. Denk om je aaa-dem-haaling. Dus. Dat hielp geen fluit. Die van hem misschien.
Enfin zo stuiterde ik al stotterend de Middelbare School in. Was best te doen an sich, ware het niet dat er ook spreekbeurten gegeven dienen te worden op de HBS.
In 4VWO was het ook zo ver. Een spreekbeurt bij Engels. Wat doe je dan als stoere stotteraar? Je kiest een onderwerp waar je veel van weet en leert een compleet verhaal uit je hoofd.
Aangezien één van mijn coole hobby’s het collecten van stamps was, hield ik hier mijn verhaal maar over. Ja ik weet het, vrouwen glijden van hun barkruk als ik vertel over mijn postzegeltjes, mijn suikerzakjes, mijn roomboterwikkels, mijn sigarenkistjes, mijn wekkers, mijn antieke telefoons.
Bij Engels speelde ik dus op safe en koos voor stamps. What’s the difference between East- and Westgerman stamps. Oh my God! So exciting! Helaas kon ik de Engelse afkorting voor Oost-Duitsland, GDR, niet uitspreken. Dzj-Dzj-Dzj-Dzjie Die Ahr klinkt weliswaar heel toepasselijk als een Trabant die niet wil starten maar ik koos toch maar gewoon voor DDR, Die Die Ahr. Terwijl ik mijn verhaaltje afdraaide en er postzegels rondgingen in de klas, voelde ik het in de verte al aankomen.
Ik zou gaan stotteren en ik wist ook al precies waar. In mijn hoofd zag ik mijn neergepende, verinnerlijkte opstelsel voor me en ik telde de regels tot dat ene woord waarover ik ongenadig op mijn bek zou gaan. Achter in de klas zaten de bloeddorstige stoere meiden met de grote borsten op mijn bloed te azen. Het was alsof ze wisten wat ging komen, met ingehouden adem en boosaardige blikken wachtten ze op mijn teloorgang.
En het geschiedde. Bij het woord in kwestie sloeg mijn middenrif op slot, mijn keel werd dichtgelast, mijn ogen (die zelfs zweetten) puilden uit mijn hoofd. De enige klank die uit me kwam, geen idee uit welke opening, klonk simpelweg als nk. Nk dus. Nk. Yeah. De meiden achterin had a ball. Ik sloeg na twee minuten sterven het woord maar over en kwam al duizelend aan mijn eind.
Ik was klaar met mijn voordracht en er viel een pijnlijke stilte. De leraar (een kopie van Kahlil Gibran) wiens sokken te drogen hingen over de verwarming, schraapte zijn keel en zei: “Errr… you’ve got a slight stutter, don’t you?”
Opgelucht en met tranen in de ogen zei ik: J-Ja.
Het werd een 7+.