zaterdag 1 juni 2019

Herdenken

Ze liggen weer achter ons: de dagen die ons laten terugblikken. Op oorlogen en slachtoffers. Op helden en meelopers, op verraders en uitbuiters. En elk jaar is het beladen, is er wel een klein of groter relletje, een faux-pas van een spreker, een foute herdenking in één of ander dorp waar opeens “de Duitsers” ook worden herdacht als slachtoffer, want ook jonge jongens en dus ook zielig.
We hadden de damschreeuwer een paar jaar geleden en dit jaar was daar de partij Bij1, van Sylvana Simons, die ook wat te schreeuwen had. In een poging mensen uit minderheidsgroepen aan zich te binden vond deze partij het nodig om op te roepen op 4 mei twee minuten stil te zijn om 8 uur des avonds. O, maar da’s toch mooi? Beter dat dan dat jongeren met de kransen gaan voetballen lijkt me. Zeker, een loffelijk streven om ook groepen die niet onze historie delen op die manier bij de geschiedenis van ons land te betrekken. Echter, u voelt hem hopelijk aan aankomen: ze vroeg om stil te staan bij deze groepen and I quote: “Roma, Sinti, lgbtiq+, communisten en anarchisten, en mensen met een beperking. We spreken extra dank uit aan de moslims en mensen van kleur voor hun rol in de bevrijding.”



Lees het rijtje nog maar eens rustig door. Hee, da’s mal. De grootste groep slachtoffers, de Joden, die worden voor het gemak maar even overgeslagen. Zelfs mijn linkse kennissen, die vaak zover mogelijk doorbuigen en meeveren met mw. Simons vielen stil. De Joden worden niet genoemd. Je hoeft uiteraard niet alle zes miljoen bij naam te noemen. Dan ben je ongeveer een miljoen minuten bezig denk ik. Zonder pauze. Dat is zo’n 16.500 uur. Ruim 13 jaar onafgebroken. Ook alleen de 101.800 vermoorde Nederlandse Joden zouden heel wat tijd in beslag nemen. Maar ze helemaal niet noemen? Zolang je genoemd wordt ben je er nog een beetje. Dat is kennelijk niet de bedoeling. Wat zit hier achter? Wat ik vrees: veel mensen zijn tegenwoordig wel een beetje klaar met die slachtoffer-Joden. Ze zijn het gezeur over de oorlog beu, ze zijn het zat. Joden zijn tegenwoordig zelf dader geworden, getuige het gedrag van Israel jegens de Palestijnen. “Ze hebben niks geleerd van hun geschiedenis.” Dit laatste zinnetje is de Kwaadmaker van de Maand, wat mij betreft. Ik hoor het namelijk regelmatig en het suggereert dat de Holocaust of Sjoah een soort opvoedcursus was voor Joden, die jammerlijk gefaald heeft. Nogmaals: ik hoor hem vaak. Er zit veel in: “jullie” zijn geen haar beter dan de nazi’s, jullie zouden beter moeten weten, jullie, jullie, jullie. Jullie bent Jodenvolk, denk ik dan maar. Joden moeten moreel verheven zijn boven de rest der mensheid omdat ze al 2000 jaar lang zelf vervolgd werden. Helaas, helaas, wat vallen die akelige joden weer tegen. Afijn. Ik zal u niet vermoeien met de zoveelste driepuntspreek over hoe menslievend of democratisch het moderne Israel is, hoeveel ruimte daar is voor “Roma, Sinti, lgbtiq+, communisten en anarchisten, mensen met een beperking, moslims en mensen van kleur.” U weet het zelf ook wel: óf u begrijpt wat ik bedoel, óf u staat op het standpunt dat Israel een onderdrukkende terreurstaat is. Het fijne: u mag vinden wat u wilt en dat doet u. Genoeg hierover dan ook. Terug naar de partij van Sylvana Simons. Waarom zo nadrukkelijk de Joden niet genoemd? Dat doe je niet per ongeluk. Raadslid Jazie Veldhuyzen van haar partij schold in februari nog een Joodse man uit voor “kanker-zionist” en collega-raadslid So Roustayar verklaarde begin mei nog dat ze het jammer vond dat er geen raketaanval op Israel kwam. Gelukkig werd ze op haar wenken bediend. Het past allemaal in het plaatje. En weet u: ik word er treurig van. Ooit was ik lid van de PSP, daar was geen sprake van het uitsluiten van groepen. Ik (dienstweigeraar) voelde me er welkom. Er is in links Nederland een tweedeling ontstaan. Een echte nog linkse groep en eentje waar Joden niet gewenscht zijn.

woensdag 15 mei 2019

Sauna

Ik ga graag naar de sauna. Ja ja, hoor ik u denken, zeker omdat daar allemaal naakte vrouwen rondlopen, of niet soms! Uiteraard. Eh.. ik bedoel nee, daar gaat het helemaal niet om. De sauna is bij uitstek de plek waar je jezelf kunt zijn. Helemaal jezelf, zonder opsmuk of poeha, gewoon in je blote niks met je ouwe badjas van de V&D rondstruinen en je laten mishandelen in hete houten hokken waar het 98 graden is en je je kapot zweet. Dat is namelijk gezond. Het is zelfs zo gezond dat ik pas 2 keer ben flauwgevallen, dus dat zegt voldoende lijkt me. Best leuk om es mee te maken. Ik verliet een sauna-cabine en voelde me wat licht in het hoofd. Leunde nog nadampend tegen een muurtje en dacht toen: misschien moet ik even gaan zitten. Te laat. Mijn zwager zag me uiterst charmant voorover vallen en “als een pudding in elkaar zakken.” Hoe je tegelijkertijd voorover kunt vallen én als een plumpudding ineen kunt zijgen is me vooralsnog een raadsel. Zeker gezien mijn atletische gestalte. Maar goed, ik weet nog dat ik mijn ogen weer opsloeg en in het vriendelijke gelaat van een sauna-medewerkster keek die vroeg of ik soms bekend was met diabetes. Terwijl mijn brein nog sudderde en tolde vertelde ik haar naar waarheid dat ik bekend was met diabetes, dat ik iemand kende die dat had en dat sommige mensen het ook wel suikerziekte noemen terwijl dat eigenlijk niet meer mag. Ze bedoelde eigenlijk of ik zélf diabeet was, het was niet haar bedoeling mijn kennis van de Medische Winkler Prins te checken. Ach so. Neen, ik was geen diabeet. Ondertussen hadden ze mijn besneden onderdelen discreet en keurig afgedekt middels een enorme bedrijfshanddoek, waar ook een washandje had volstaan, hetgeen ik erg vriendelijk vond. Je ligt daar toch maar te kijk met zo’n twintig ramptoeristen om je heen. Helaas voor hen: na een paar slokjes zoetig smakende vloeistof werd ik voorzichtig weer op mijn poezelige voeten gezet en kon ik er weer tegen. Geen ambulance nodig. Ja, erg jammer, de zweterige omstanders dropen teleurgesteld af.
Na dit incident dorst ik eigenlijk geen sauna meer in, gelukkig gold dat achteraf gezien alleen maar die dag. Waar ik mee begon: in de sauna is iedereen gelijk. Of nou ja, de één is mooi en de ander is lelijk, maar daaraan kun je niemands status aflezen. Je kletst met een ieder en je hebt geen idee of je met de directeur van Shell praat of met iemand die, gekleed in een drie of vier maten te groot lichtgevend oranje pak met witte strepen, met zo’n rare lange hete stofzuigerstang kauwgom van de tegels losföhnt op de Grote Markt van Almere. Dáár hou ik wel van. Niet van het föhnen van het marktplein van Almere, maar van die statusloosheid. We zijn net uitgeprocedeerde asielzoekers eigenlijk. We willen ook niet naar huis en ons paspoort is nergens te vinden. Nou. Is toch anders. Maar je hebt soms de mooiste gesprekken met volslagen onbekenden, die je daarna nooit weer ziet want je herkent elkaar op straat toch niet met kleren aan. Nog even een vooroordeel logenstraffen: er wordt wel gezegd dat mensen in de sauna, omdat ze allemaal naakt zijn, niet naar elkaar kijken. Dit is natuurlijk een kwetsend vooroordeel en absoluut niet waar. Uiteraard kijk je naar de andere bloterikken. Zeker als hun lichaamsbouw op buitensporige wijze afwijkt van die van jezelf of van het gemiddelde. Ik bijvoorbeeld vind het altijd erg fijn als er mensen zijn die nog dikker zijn dan ik. Of nog grotere struiken op hun rug hebben. Het is toch tof om te zien dat alles altijd erger kan! Soms zijn er ook andere Joden in de sauna. Tenminste dat denk je dan even. Mijn tip, ik zou hem maar even opschrijven als ik u was, want u kunt zich anders vast niet bedwingen, zeg nooit: “Ik zie dat u Joods bent, dat is nou ook toevallig.” Ook normale mensen kunnen namelijk besneden zijn, bijvoorbeeld uit medische of esthetische overwegingen. Staar er dan ook niet al te lang en peinzend naar, het zal uw populariteit - die in het huidig tijdsgewricht toch al tanende is - niet ten goede komen.

woensdag 1 mei 2019

Je persoonlijke bevrijding, gedachten rond pesach

Als u dit leest hebben we het net achter de rug: pesach 2019. Bewust zet ik er een jaartal bij, alhoewel dat wellicht wat vreemd overkomt. Elk jaar is het toch opnieuw pesach, we doorlopen met elkaar al duizenden jaren dezelfde cyclus van Joodse feestdagen en dat doen we al bijna net zolang op dezelfde manier. Pesach. Slavernij. Mozes. Farao. De plagen. Uittocht. Woestijn. Beloofde Land. Je kunt het natuurlijk zo plat bekijken als je wilt en elk jaar dezelfde liturgie doorlopen. Niks mis mee misschien, maar ik persoonlijk vind het dan wel een beetje karig. Mooier is het - mijns inziens - als je elke keer weer opnieuw naar jezelf in combinatie met de Joodse feestdag van dat moment kijkt. Een feestdag is namelijk pas echt een feest als je er je eigen feestje van kunt maken. Wat zegt pesach jou, op dit moment in je leven, dit jaar? Meer toch dan alleen het oude verhaal van de Israelieten die zuchtten onder het juk van Farao, van uitsluiting en afzondering, van slavernij? We hebben allemaal ons eigen verhaal. De één voelt zich een slaaf van zijn werk, sleept zich elke dag naar kantoor om dan van 9-5 te ploeteren voor een karig loon om zich dan weer naar huis te slepen en op de bank te werken om naar TV te kijken en dan te slapen enzovoort. Een ander voelt zich gebonden aan tradities, waar hij of zij maar niet los van kan komen, ingeprent door ouders, voorouders, omgeving en cultuur. We mogen allemaal leren, we mogen allemaal weten dat we vrije mensen kunnen zijn. Ieder op zijn eigen manier en moment. Elk jaar, elke pesach,, mag je erbij stilstaan in welke fase van je leven je je bevindt. Je kunt terugkijken: hoe was het een jaar geleden, ben ik al wat meer bevrijd dan in 2018? Of ben ik me in elk geval meer bewust van de patronen waarin ik zit? Groei en verandering, echte bevrijding, begint met bewustwording. Met pesach word je je van veel bewust, als je daar voor open staat. Dat gebeurt op verschillende manieren. Om te beginnen - belangrijk onderdeel van het Joodse DNA - het eten. Met pesach ben je je extra bewust van hetgeen je in je mond stopt. Geen chameets (gerezen etenswaren, zoals brood, maar eigenlijk alles wat gist, wat rijst, dus ook geen pasta en - heel erg - geen bier) want dat hadden we ook niet toen we halsoverkop uit Egypte vertrokken. Acht dagen matzes. Al voordat pesach begint zijn we druk doende om alle chameets uit ons huis te verwijderen. Dit is ook een mooi symbool voor het gerezene in ons eigen bestaan. Het gegiste. Voel je hem? Het met lucht gevulde deel van ons zelf, onze arrogantie, ons ego, alles wat niet helemaal bij ons hoort en niet helemaal echt is. Ook daarvan mogen we ons bewust zijn, mogen we ons ontdoen. Vlak voordat pesach begint verzamelen we alle chameets die we in huis konden vinden bij elkaar en verbranden dat. Dat is bevrijdend, als je dat kunt zien! Afstand nemen van je eigen luchtigheid, pompeusheid, opgeblazenheid.Terugkeren naar je kale, schone zelf. Net als je huis waar je al zes weken op je knieën aan het schrobben en poetsen bent geweest. Een mooi moment van bewustwording. Dan begint pesach, de sederavond. Samen met je gezin doorloop je het hele verhaal, zoals opgetekend in de Haggada. Het begint met de sederschotel, waarop peterselie ligt, een ei (symboliseert de lente, de periode van de uittocht, maar ook een nieuw begin), een lamsbotje, charoset (zoet mengsel van bijv, appel en rozijnen - symbool voor de metselspecie waar de slaven mee moesten werken) en maror, een bitter kruid, symbool voor de bittere tijden. Al deze onderdelen vertegenwoordigen een deel van het verhaal. Daarna komt de echte geschiedenis, van Mozes in zijn biezen mandje, de brandende struik, de tien plagen, u kent het. Mooi verhaal! Maar wat zegt het jou, wat zegt het u, nu? Goed om bij stil te staan, om even van binnen stil te worden en te beseffen hoe je vrij je bent. Hoe goed dat is. Of ben je toch nog gebonden?
 
.

maandag 15 april 2019

Mozes kriebel

Pesach! De chezellige chag waar we allemaal naar hebben uitgekeken. Het gaat over bevrijding, dat is al fijn, en over reizen door een woestijn, zeg maar een trekkersvakantie van 40 jaar en dat is nog veel fijner! Daar gingen we dan, met knapzak en gitaar, hei ho, hei ho, het Beloofde Land komt zo. Tentje neerzetten, kwakkels opvangen in je keppel, smullen maar! Nu ben ik een makkelijke eter. Zet me wat voor en ik eet het op. Nou ja, geen chazzer natuurlijk of paling of paard of schelpen (die knarsen nogal tussen je kiezen) of slakken of hond of orang pangang of pigmee. Dat allemaal niet maar verder ben ik dus een makkelijke eter. Edoch veertig jaar lang elke dag piepende kwartels naar binnen harken! Mozes kriebel! Respect! 

Gelukkig hoeven wij met pesach alleen maar te genieten van overheerlijke matzes. Acht dagen lang alleen maar matzes. Matzes als ontbijt, matzes als lunch, geprakte en geplette en in de oven als lasagne geboetseerde matzes als avondeten. Heerlijk! Na één dag voelt je buik al als een te hard opgepompte skippybal en dan mag je nog een week. Nooit zul je meer poepen! Heerlijk! Wie houdt er nou van poepen? Precies. Je stopt je genietend van je vrijheid vol met platte schijven (of vierkanten als je ze stiekem uit het buitenland haalt) gipsen plafondplaten, bedekt met allerlei gezonds zoals boter, zalm, jam, hagelslag, kaviaar, bacon of inktvis. Heerlijk! 

Ik moet na twee dagen al huilen als ik denk aan witte bolletjes of aan bier. En dat lieve mensen is nou de les van pesach: die arme oude joden van toentertijd en weleer hadden ook geen witte bolletjes en bier. Alleen maar dodelijk vermoeide kwakkels of kwartels en dat was het dan. Ben even kwijt wat ze ook weer dronken, maar het was zeker geen Straffe Hendrik uit Brugge! O nee! 

Voordat pesach begint mogen we nog wel even stofzuigen. Of nou ja, stofzuigen, met een loep op je knietjes met een veer de laatste kruimels, de laatste chameets bij elkaar vegen en aan de buren verkopen. Die vinden dat leuk, zo’n stukje joodse folklore. Ze snappen er niks van en schudden meewarig het gojse hoofd, maar doen er graag aan mee. Als je daar voor de deur staat met wallen onder je ogen en zweetplekken onder je oksels van het poetsen.

Hoe zit dat eigenlijk met die kwakkels? Waren dat wel kwartels? Mijn opa uit Drenthe, zichrono liwracha, had kwartels. Die beesten waren gewoon een soort minikipjes. Konden niks! Gespikkelde eitjes leggen en hysterisch rondrennen. Vliegen konden ze niet. Piepen wel, zeker als je er per ongeluk op ging staan. Dus niet zo gek dat die kwakkels ter aarde storten recht in de armen van de Israelieten die lekker aan het kamperen waren. Die arme beesten herinnerden zich natuurlijk plotsklapselings dat ze helemaal niet kónden vliegen! Zo ging het. Geloof me. Dus hupseflats op de koosjere barbecue. Is dat een ideetje voor volgend jaar in Jeruzalem? Acht dagen kwartels eten in plaats van gipsen frisbees? Het is maar een ideetje hoor. Ik zal de WUPJ en het IPOR eens even tippen. Wat zullen ze me dankbaar zijn. Kunnen we ook gewoon blijven poepen toch, da’s ook wel de moeite waard. Allemaal gekkigheid natuurlijk. Uiteraard eten we matzes, dat hoort bij het verhaal, dat hoort bij Pesach. En als pesach dan afgelopen is poepen we de mooiste piramide die je je maar kunt voorstellen. Niet door te spoelen zo mooi.

maandag 1 april 2019

Een vrij man van goede naam die metselt aan zichzelf en de wereld

Vorige maand had ik al - heel doorzichtig - een stuk gecomponeerd over de club waar ik lid van ben. Ik vermeed het beestje bij de naam te noemen, maar voor degenen onder u met het IQ van een knolraap doe ik dat nu wel: ik ben vrijmetselaar. Voor mij was het een grote stap om te worden ingewijd maar ik heb er nog steeds geen spijt van. Zoals u weet is de vrijmetselarij omgeven door een waas van geheimzinnigheid. We wijden onze leden in tot leerling-vrijmetselaar en daarover zeggen we het liefst zo weinig mogelijk, om de verrassing voor toekomstige broeders niet te verpesten. Vroeger was dat de geheimhouding al geen sinecure, getuige de diverse verradersgeschriften die werden uitgegeven in de 18e eeuw. Teleurgestelde of kwaadwillende mannen verlieten hun loge en schreven nauwgezet op wat er zich daar afspeelde, teneinde de vrijmetselarij in een kwaad daglicht te stellen. De grap is dat we dankzij hun opruiende boekjes nu wel min of meer een beeld hebben hoe het eraan toe ging in loges van die periode. Onze huidige ritualen zijn zelfs deels op hun overlevering gebaseerd. Dus veel dank aan deze Judassen! Tegenwoordig zijn er - zoals binnen elke organisatie waar mensen samenkomen - nog steeds mannen die afhaken. En die zullen ook wel het nodige verklappen aan hun omgeving, Beetje overbodig: we leven in de 21e eeuw en alles, werkelijk alles, is online te vinden. Zelf heb ik bewust niets opgezocht voorafgaand aan mijn inwijding. Ik zag wel filmpjes op YouTube, maar dan alleen via officiële kanalen, zoals van onze overkoepelende organisatie die de volgende mooie naam draagt: Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden. Dus ik had geen idee wat me te wachten stond bij mijn inwijding, wist alleen dat ik geblinddoekt zou worden want dat zie je op al die antieke schilderijen. Een broeder haalde me thuis op, mijn vrouw kreeg een bos bloemen omdat ze me zomaar uit handen gaf aan een voor haar onbekende groep mannen en zo gingen we op weg naar de tempel, of werkplaats, zoals de ruimte genoemd wordt waar de rituelen worden uitgevoerd. Het bijzondere is dat je na je inwijding bent opgenomen in een wereldwijde groep van zo’n zes miljoen mannen, die je allemaal je broeder mag noemen. Dat die broederschap diep gaat en ook echt wereldwijd geldt hoorde ik al snel van diverse mede-vrijmetselaren. De één had wel eens autopech gehad in Frankrijk en zocht in de buurt de dichtstbijzijnde loge op en werd in no time geholpen en kon met z’n gezin bij wildvreemde mensen (die dus helemaal niet wildvreemd zijn) mee-eten. Een ander verdwaalde in een grote Amerikaanse stad, zag tot zijn vreugde het bekende logo van passer en winkelhaak aan een pand, klopte aan, en verdere uitleg is niet nodig: alles kwam goed. Uiteraard is dit niet uniek. Ook leden van kerkgenootschappen weten elkaar around the globe te vinden en zullen elkaar in de nood bijstaan. Alleen kan ik me voorstellen dat je binnen een kerk wat meer gelijkgestemde mensen vindt, waar “bij ons” geen gemeenschappelijke religieuze noemer is aan te wijzen. Behalve dan dat we elkaar erkennen als broeder is iedereen verschillend. Het mag geen enkele rol spelen en daarom dragen we ook ons “uniform”; het rokkostuum. Engelse schoolknaapjes zijn we. Zo kun je alleen als je een kleermaker bent zien wie een duur kostuum en wie een Gako-pak draagt. Zo was de tuinman van president Theodore Roosevelt voorzitter van de loge waar de president als “gewone” vrijmetselaar - zoals we dat noemen - in de kolommen zat. Rangen en standen, religies en opvattingen, ze vormen geen struikelblok. De vrijmetselaar zoekt wat verbindt en niet wat scheidt. In deze omgeving werk je met elkaar aan het verbeteren van je persoonlijkheid, in jargon: je hakt aan je ruwe steen om de zuivere kubiek die er al in zit tevoorschijn te halen. Wanneer je zelf beter mens bent kun je dat naar buiten toe uitdragen. Een blauwdruk voor de wereldvrede. 

vrijdag 15 maart 2019

Midlife

David is drie. Eén van zijn hobby's is het trekken aan oren. Dat doet hij het liefst bij zijn moeder, de hele nacht, zodat mijn teerbeminde er in de ochtend vaak uitziet alsof lijn 51 over haar heen is gereden. En we weten allemaal wat er met lijn 51 is gebeurd. Overigens wordt ze dit jaar veertig, dat vindt ze vast fijn om te lezen. 
Ook aan de flapperende lappen vlees die zich aan weerszijden van mijn gigantische hoofd bevinden wordt veelvuldig door peuterhandjes gesjord. Ik vind het prima, wanneer je zes kinderen (wat, zes??? Ben je wel goed??? Eh.. nee, maar ik heb desondanks zes kinderen. Samengesteld gezin zeker??? Eh.. nee, er staat duidelijk geschreven dat gij niet zult echtscheiden, dus dat kan niet. Zijn jullie nou klaar???? Eh… nou, wat een impertinente vraag! Enzovoort.) ik zei, wanneer je zes kinderen hebt behoor je tot de geduldigste mensen ter wereld en kun je alles leien. 
Alles? Alles. Echter. Hij plukt tegenwoordig liever aan mijn slaaplokken mitsgaders bakkebaarden. Die zijn inmiddels wit met grijs. Hij trekt dus aan dat schaamhaar op mijn wangen en roept dan: STOFHAAR!!!! Zelf bedacht. Hij dus. Heel fijn om dagelijks te worden geconfronteerd met je eigen verkruimeling. Je kinderen houden je jong? Mijn toges! Om Bart Schut maar even te citeren. Ook heb ik tegenwoordig lange kronkelige haren in mijn voorheen prachtig gladde en mannelijke wenkbrauwen, haren op mijn oorschelp en val ik regelmatig pardoes in slaap terwijl ik een boek lees. Zelfs de vacht op mijn borstkas wordt grijs. Tijd voor actie, harde actie. Dus wilde ik een motorfiets kopen. Een hele grote met van die uitlaten. Dan pers ik mijn 90 kilo spieren in een zwartlederen kostuum en dan maak ik weer de blits, net als vroeger. Prachtige pot op mijn kop. Ach, vanitas vanitatum vanitas, om Paul Damen maar even te citeren. Ik noemde al vroeger: twee keer ben ik van mijn sokken gereden op de A1. Dat is het kiezelpad tussen Almere en Amsterdam. Bijzondere ervaringen, dat kan ik wel zeggen. De eerste keer reed een Joodse meneer me ondersteboven. Dus dan blijf je niet lang boos en ik had toch niks gebroken. Hij kwam bij me thuis om het één en ander af te handelen en voor we het wisten lieten we de verzekeringspapieren de verzekeringspapieren en stonden we gezellig keuvelend voor de boekenkast gemeenschappelijke kennissen op te noemen. Ongelukje, kan gebeuren! De tweede keer echter betrof het een zwarte Suzuki Swift die er als een haas vandoor ging terwijl ik gelijk een ballerina door de lucht vloog om later in slaap te vallen tegen de vangrail. De enige glimp die ik opving betrof een viertal jongeren - mogen ze ingegroeide teennagels krijgen tot in hun ruggenmerg - en dat werd ook bevestigd door de omstanders die me, nadat ik wakker werd uit mijn vreemde dutje, uitermate behulpzaam zijn. Afgevoerd in een ambulance, volgepropt met heerlijke drugs, dus zingend en lallend zoals jullie me kennen, werden mijn gebroken onderdelen vakkundig aan elkaar gelijmd. Mijn motorfiets later verkocht en een Trabant aangeschaft. Je moet wat met de midlife. Ik koop toch maar geen motorfiets. Zou je je bakkebaarden kunnen verven? 

vrijdag 1 maart 2019

Broederschap

Het afgelopen weekend bezocht ik met een 25-tal mannen van onze filosofische vereniging een mini-symposium. Ik was er zelf voor de tweede keer maar het fenomeen bestaat al een jaar of 20. Een aantal leden van onze vereniging komt dan bij elkaar en we wisselen gedachten uit over vooraf ingediende onderwerpen. Soms zijn het diepe levensvragen, bijvoorbeeld over sterfelijkheid maar ook basalere, over het teruglopend ledenaantal van onze club en wat we daaraan kunnen doen. In veel steden en dorpen vind je clubs als de onze en het is mooi om te horen hoe het hun vergaat, hoe ze jongeren weten te vinden en aan zich te binden en soms ook treurig wanneer het duidelijk is dat er in een bepaalde stad geen animo meer is en de ‘gespreksgroep’ daar dreigt te verdwijnen. We bestaan al een tijdje. Het bijzondere dat ons kenmerkt is dat de groep zeer gemêleerd is. Er zitten hoogleraren bij, schoenlappers, ICT-ers, boekhouders, notarissen, heftruckchauffeurs, militairen, pacifisten, jagers, veganisten enzovoort. In theorie veroordeelt niemand elkaar. Atheïsten, vrij-katholieken, boeddhisten, joden, moslims, iets-isten, theosofen en wederom: enzovoort. We komen broederlijk bijeen en delen wat we denken en voelen. We discussiëren niet. Elke mening, elk gevoel mag er zijn en verdient respect. Dat is ons devies. Uiteraard is er wel eens mot binnen een lokale groep, maar in het algemeen werkt het. Dat ontroert me. Wat mondiaal onmogelijk is lukt ons: broederlijk met elkaar omgaan, delen wat ons beweegt, elkaar in de ogen kijken en het mooiste: elkaar begrijpen. En als dat niet lukt dan rest in elk geval nog het respect. Donald Trump zou eens moeten aanschuiven. Dat zou hem niet meevallen want we praten zelden over religie en politiek en we discussiëren niet. We luisteren naar elkaar en zetten dan ons eigen idee ernaast. Hij zou gek worden. Geen bijval, geen aanval, alleen maar een “dank u voor uw bijdrage meneer Trump, ikzelf denk dat het ook zó zou kunnen, hoe ziet u dat?” Vreselijk beschaafd. Hij zou na tien minuten rood aanlopen en na een half uur moeten we de defibrillator van de muur trekken vrees ik.
Zelf ben ik erg dankbaar dat ik zo’n groep in mijn dorp heb gevonden. Het viel nog niet mee want we houden ons nogal op de vlakte. Maar nu draai ik volop mee en geniet van de verhalen en de bijdragen van mijn “broeders”. Want zo noemen we elkaar. In een sfeer van vertrouwelijkheid samenzijn. Mannen tussen de 30 en de 99 jaar die délen. We doen wel wat geheimzinnig en dat doe ik nu ook. Niet zo vreemd, want vervolging en uitsluiting was in de historie ons deel. Ten tijde van de tweede oorlog werden we massaal vervolgd en zijn er zo’n 140.000 van ons in heel Europa omgebracht. Ook doen de wildste verhalen over ons de ronde. We zouden uit zijn op wereldheerschappij, satan aanbidden en samenspannen met de zionisten. In vrijwel alle islamitische landen worden we vervolgd. Sowieso in alle dictaturen. Alleenheersers houden niet van vrijdenkers. Onze rituelen zijn onbekend en worden heidens genoemd. We rijden op geiten door onze zaaltjes.
U bent lezer van Volzin, u weet allang waar ik het over heb. Toch noem ik niet hardop de naam van mijn club, misschien doe ik dat later. U weet ook dat van mijn vereniging alleen mannen lid mogen worden, daar heeft u wellicht een oordeel over. Weet dan ook dat er ook soortgelijke groepen zijn waar enkel vrouwen worden toegelaten. Doorgaans vinden buitenstaanders dát dan weer niet discriminatoir. Ook zijn er die gemengde bijeenkomsten houden, dus met mannen en vrouwen. Kortom er is voor elk wat wils. Ik heb bewust voor een organisatie gekozen met alleen mannen. Dat voelt veilig, prettig en herkenbaar. Geen angst voor baltsgedrag, we zijn openhartig naar elkaar. Van de vrouwengroepen hoor ik gelijkluidende verhalen. Hoe we ook verenigd zijn: we werken aan het verbeteren van onszelf, elkaar en dus uiteindelijk de wereld.

zaterdag 26 januari 2019

Zwolle

Lang geleden, in de vorige eeuw, woonde ik in Zwolle. Ik was een actieve bezoeker van de
Joodse Gemeente aldaar en betrokken bij het wel en wee van deze toen nog kwijnende
gemeenschap. Elke dienst zat ik op mijn plek in de sjoel, omringd door andere mannen en
door lege banken. Tegenover ons zaten de vrouwen met in het midden de Bima, de
verhoging van waaruit de Tora werd gelezen. Op zich best een grappig fenomeen, zeg ik nu
terwijl u uiteraard al verontwaardigd met de vinger wappert omdat mannen en vrouwen
gescheiden zitten. Wappert u gerust even door, pas wel op dat u uw vinger niet bezeert
wanneer u tegen de balk zwaait die uit uw eigen oog steekt. Maar inderdaad: in de Joodse
Gemeente te Zwolle, en niet alleen daar maar in elke traditionele gemeente, zitten mannen
en vrouwen niet naast elkaar. Vrouwen horen thuis achter het aanrecht, ik bedoel het
gordijn, en mannen doen de dienst. Zo gaan die dingen. Nu was Zwolle een beetje
recalcitrant. Dat zal ze nog wel zijn, maar ik woon alweer enkele duizenden jaren in Almere
dus verloor Zwolle een klein beetje uit het oog. Zwolle was opstandig. Daar houdt u van en
daar hou ik ook van. Het is namelijk gebruikelijk - ik stipte het al genuanceerd en vriendelijk
aan - dat de vrouwen plaatsnemen op het balkon, achter de zogenaamde mechietse. Dat
kan een gezellig traliehekje zijn, of een naar Robijn Fleur en Fijn riekend gordijn. In Zwolle
was op het balkon sedert jaren een tentoonstelling over het joodse leven opgesteld. Geen
plek dus voor dames. En waar laat je dan het vrouwvolk? Tadaa: gewoon in de sjoel, zeg
maar de kerkzaal, tegenover de mannen. Dus bij binnenkomst zag je de bima, met links
daarvan de banken voor de manskerels en rechts de banken voor de vrouwmensen. Leuk
natuurlijk ook wanneer echtparen dan ook nog tegenover elkaar kunnen zitten teneinde af
en toe malkander te kunnen aankijken of toegapen. Goed geregeld! Het schijnt in de kille
(jiddisch voor gemeente) Maastricht overigens net zo te zijn geregeld. Leve het rebelse
Zwolle! Zelden kwam er een rabbijn in die jaren en dat was maar goed ook. Want ja. Dit was
natuurlijk niet de bedoeling, die in het oog springende dames. Een enkele keer werd de
kehilla (hebreeuws voor gemeente) vereerd met een rabbinaal bezoek en dan konden de
vrouwen dus niet plaatsnemen in ‘hun’ banken. Dan werd er een soort schutting opgesteld
met daarachter klapstoelen. De mannen namen dan gewoon plaats op hun gebruikelijke
plekken en lieten de “damesbanken” demonstratief leeg. Heerlijk!
In Zwolle hielden we elk half jaar een Interreligieuze Gebedsdienst voor de Vrede. Dat was
reuzegezellig. Dat deden we dan afwisselend in een kerk (dat is een gebedshuis voor
christenen, red.), een moskee (dat is een gebeds- annex gemeenschapshuis voor moslims,
red.) en uiteraard was onze synagoge (dat is het dorpshuis voor de Joden, red.) ook af en
toe zo gastvrij om De Anderen binnen te laten en te laten delen in de Joodse traditie. Mij
staat specifiek één Gebedsdienst voor ogen. Hij vond plaats in een protestantse kerk en we
zaten daar met een stuk of 10 bekeppelde afgevaardigden van de Joodse gemeenschap,
omringd door een paar honderd christenen, die ons bekeken alsof we paarse aapjes waren
met een strik in het haar en een paar dozijn Turkse moslims. Er werd gepreekt door een
dominee, door een woordvoerder van onze club én door de imam. Helaas was de
laatstgenoemde het Nederlands niet machtig dus we hadden geen idee wat hij allemaal
vertelde. Het konden de toto-uitslagen zijn, een verslag van zijn all-in-vakantie naar
Benidorm of een door en door hilarische persiflage op de door een tegenpaus in 1385
uitgesproken banvloek op het dragen van geitenwollen onderbroeken. Geen idee! En het
duurde ruim een half uur...

En weet je? Het was zó goed dat we dit deden. Want we ontmoetten elkaar na de diensten
en we spraken elkaar van mens tot mens. Bekend maakt bemind!

Pedofiel

Wat een mot op facebook onlangs! U heeft het vast meegekregen: een Oostenrijkse vrouw
die de islamitische profeet Mohammed negen jaar geleden tijdens een seminar een pedofiel
noemde werd door de rechtbank veroordeeld tot een boete van 480 euro. Verontwaardigd
over deze - volgens haar - aanval op de vrijheid van meningsuiting richtte ze zich tot het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in de verwachting dat dat haar zou steunen en
de veroordeling ongedaan zou maken. Een keihard “neen” (of non zo u wilt, de standplaats
is Frankrijk) was haar deel, ze mocht gewoon de 1000 gulden lappen. Niemand betwist dat
Mohammed een echtgenote had, Aïsha genaamd, die jonger was dan 10 jaar toen het
huwelijk werd “geconsumeerd.” Maarrrr omdat de uitspraak “Mohammed is een pedofiel”
kwetsend is voor gelovige moslims werd het arme mens uit Oostenrijk tóch veroordeeld. Hoe
is dit mogelijk?
Conservatieve “vrienden” op Facebook waren het erover eens: dit was godslastering en
deszulks is strafbaar bij Wet als het gaat om de christelijke God en dus geldt het ook voor de
Islamitische profeet. Progressieve vrienden, die zichzelf agnost of atheïst noemen
daarentegen vonden deze rechterlijke uitspraak juist beledigend voor moslims, want het
wekt de suggestie dat Moslims hulpbehoevende zielepoten zijn die onze steun nodig hebben
in plaats van volwassenen die weten waar ze voor staan en waar ze in geloven en die dit -
dus - heus wel naast zich neer kunnen leggen. Eigenlijk net zoals christenen dat al sinds
tientallen jaren doen met allerhande beledigingen aan hun adres.
Interessante discussie! We kennen allemaal de uitspraak van Gerard van het Reve over
God als ezel (of Ezel?) die in 1966 geleden gelovigen tot woede dreef. Gerard werd - dit jaar
toevallig 50 jaar geleden - na een langdurig juridisch gevecht vrijgesproken. Zijn we nu weer
terug bij af? Mag je geen godheid, of daaraan verwante profeet of wat voor goeroe dan ook,
meer beledigen zonder dat je je daarvoor voor de burgerlijke inquisitie moet verantwoorden?
Ik vind het angstaanjagend. “Het einde naakt.” zei ik zelfs op Facebook. De felle respons die
ik over me uitgestort kreeg verwonderde me. Mooi woord he? Verwonderen. Je kijkt met een
onschuldig verbaasde blik naar iets onverwachts, zo vertaal ik dat woord.
Ik ontmoette veel begrip voor mijn standpunt. Uiteraard waren er gelukkig ook mensen die er
anders instonden en die vreesden “dat alles maar gezegd mag worden.” Wees getroost: dit
is niet het geval. Zo werd bijvoorbeeld vorige maand een PVV-er veroordeeld omdat hij
schandelijke uitspraken had gedaan over Arabieren. Ze zouden fervente “kontenbonkers”
zijn en seks met kleine jongetjes niet schuwen. Uiteraard werd deze heer daarvoor
veroordeeld. Je kunt niet alles zeggen.
Een enkel vreesde dat ik “islamofobische neigingen zou hebben”. Heel apart. Ooit werkte ik
met groot genoegen samen met een orthodoxe moslim. Hij bad vijf keer per dag en maakte
geld over naar de “PLO” terwijl ik vrijwilligerswerk deed voor het Israëlische leger. We
hadden groot respect voor elkaar omdat we elkaars beweegredenen begrepen. Er stond
niets tussen ons in. Hij had zelfs Müslüm als voornaam terwijl mijn Joodse voornaam Jisroël
luidt, Israël dus. We werkten fantastisch samen en hadden de mooiste gesprekken, waarbij
we naar elkaar luisterden en elkaar hóórden.

Terug naar Facebook: “Hoe zou jij het vinden wanneer iemand jouw godsdienst en jouw God
(of G’d) zou beledigen?” Mijn antwoord: Het is helemaal niet relevant wat ik daarvan vind. Al
zou iemand de meest godslasterlijke dingen zeggen en zou mijn hart misschien zelfs
ineenkrimpen; ik zou gaan demonstreren voor zijn vrijlating als de politie hem daarvoor van
zijn bed zou lichten. We leven in een volwassen maatschappij en we zijn allemaal volwassen
(al dan niet) gelovigen. Als je je laat pijnigen door woorden van een ander zegt dat
misschien meer over jezelf dan over die ander.
Uiteindelijk kom ik weer terug bij de situatie van mijn oud-collega en ik, jaren geleden in
Zwolle: luister naar elkaar. Dan vind je wat je met elkaar verbindt en valt de scheiding…..
weg.

Pandanus

Mijn oudste zoon verzamelt fruit. Klinkt als een vreemde hobby, alsof ons huis in no time
ingericht is als een biobak, een meurende kliko. Valt mee. En liever zo’n hobby dan dat hij
hele nachten op straat rondhangt, geiten in brand steekt of stiekem booreilanden verplaatst.
Hij heeft een krantenwijk, de held, en steevast komt hij thuis met een nieuwe, door hem pas
ontdekte curieuze fruitsoort. De namen zijn prachtig; tamarinde, pandanus, noni, kiwano,
durian enzovoort! Vaak kijken zijn broers en zussen vol afgrijzen naar de op maankraters of
versteende keutels lijkende versnaperingen en dus ben ik regelmatig de pineut als het op
proeven aankomt. Zelf neemt hij het heel serieus: hij noteert de smaaksensatie in een
ouderwetsch blanco boekje, u kent ze wel, en vraagt daarbij vaak mijn hulp.
Hoe omschrijf je smaak? Dat is misschien nog wel lastiger dan het omschrijven van een
gevoel. Wat betekenen bijvoeglijke naamwoorden als ‘kruidig’, muskaatachtig, zwaar, intens
of luchtig? Het is moeilijk de tongstrelende sensatie te vangen. Het past hem wel. Hij zit in
de zesde, gaat volgend jaar Informatica studeren én misschien wel filosofie. Ondanks (?) het
feit dat hij zichzelf als agnost beschouwt is hij zich erg bewust van onze joodse spijswetten
en zijn afkomst. Dankzij zijn liefhebbende ouders ontkomt hij niet aan zijn erfgoed. Wisten zij
veel. Zowel z’n voor- als zijn achternaam schreeuwen het uit: Pas op! Een Jood! Dus
maakte hij het al het nodige mee. Leeftijdsgenoten die niet naast hem willen zitten bij een
schoolreis, een kapper die hem niet wil knippen, ontzettend leuke grapjes over Duitsers die
hem aanstonds komen halen, echt haha, wat een pret! Het mooie is: hij is - zoals de
Vlamingen dat zo mooi kunnen zeggen - fier op zichzelf en zijn Zijn. Nooit is hij slachtoffer,
hij is wie is hij en helaas pindakaas voor wie daar last van heeft. Dit gaat uiteraard over veel
meer dan zijn religieus-culturele identiteit. Hij doet gewoon alles op zijn eigen manier. Heeft
hij altijd al gedaan, ondanks de pogingen van zijn omgeving hem gelijk een bonzai-boompje
te buigen, te strekken, te rekken en te plooien. Hij ging zijn eigen gang. Hij gáát zijn eigen
gang. Zit nu in het examenjaar zoals gezegd en doet nauwelijks wat aan school. Heeft allang
uitgerekend wat hij moet halen om te slagen en dat gaat hem lukken ook. Er zijn tenslotte
belangrijker zaken in de wereld. Skypen met mensen in diezelfde wereld bijvoorbeeld. Van
Canada tot Servië, overal heeft hij vrienden, echte vrienden. Of meedoen aan het NK
Schoolschaken voor Teams. Naar een klezmerconcert gaan in de snoge zoals vorige week
donderdag. In goed gezelschap.
Wat ben ik trots. Zo’n jong dat over een paar maanden 18 wordt, dat al zo stevig in het leven
staat en zich niet de les laat lezen. Zelfbewust maar niet arrogant, zo zichzelf en zo eigen.
Heeft geen mobiel. Dat is wel een dingetje want hij is dus nooit bereikbaar. Misschien is dat
ook wel lekker de bedoeling. Mijn oudste zoon. Kan veel van hem leren!

Je persoonlijke chanoeka

Ja ja ja, ik hoor jullie alweer denken en zuchten, toch niet weer zo’n uitgemolken column
over chanoeka he. Over hoe erg het was in de ballingschap en hoe fijn dat “we” konden
terugkeren naar Eretz Israël en mozes kriebel, dat die enorme menora - die alweer
2000 jaar in de kruipruimte onder de deurmat van het Vaticaan ligt te schimmelen - maar
liefst 8 hele dagen bleef branden op dat ene kruikje olie dat we nog aantroffen bij terugkomst
in den Tempel des Heeren.
Maak je geen zorgen, dit gaat daar G’de zij dank absoluut niet over. Wat dacht je van een
allegorische uitleg van het chanoeka-verhaal, een symbolische les? Mmh? Nou? Zit
natuurlijk niemand op te wachten he, heel jammer weer. Je krijgt hem toch. Misschien wel
goed ook, herkenbaar, tenzij je leven gevuld is met de voetbaluitslagen in de PTT
Telecompetitie, bier, kroketten en de familieberichten in eender welke krant. Heerlijk lijkt me
dat, geen last van overkokende hersenen, alleen een rokende frituurpan en een
doodgeslagen bier.
Ik schat in dat de meesten van u helaas behept zijn met een overgevoelig brein en dat u dus
wel wat zult herkennen in wat volgt. Verbaas u niet, verwonder u slechts. Komt-ie: hoe staat
het met uw persoonlijke chanoeka? Of persoonlijke chnouke?
Dat kun je zo lekker nasaal blaten, probeer het maar es. Uw persoonlijke chnouke dus. Bent
u al bevrijd? Hoevelen van ons zitten niet vast, vast in hoofd en onderbuik, aan de heerlijk
bekende vastgeroeste gevoelens en gewoontes.
Op een al dan niet goede dag wordt u geconfronteerd met een verandering in de wereld die
u kende en die u veilig was. Uw dochter blijkt homoseksueel. Uw voet blijkt een amputatie te
behoeven. Uw man wil zich aanmelden bij de Odd Fellows. Uw zoon wordt niet alleen
balletdanser maar hult zich de ganse dag in een oud-roze tutu. U ontdekt dat u zélf niet
langer gelukkig bent met het leventje dat u leidde, u zou wel sumoworstelaar willen worden,
iemand die kan jongleren met zes fietsen of erger nog: een Trabantrijder..… Een grote
omslag. U krijgt de bibberaties. Wat te doen? (Sto delatj, zou Lenin zeggen.) Vasthouden
aan wat was? Uw dochter is ondanks haar zorgvuldig gekweekte snor, tuinbroek en blauwe
stekeltjescoiffure geen homo, uw man blijft gewoon alleen maar gezellig op korfbal? Of
omarmt u de verandering. Ziet u dat het goed is wat er gebeurt en gaat u mee in de nieuwe
stroom, in uw kleine kano?
We kunnen leren van chanoeka dat het soms tijd is om je veilige plek aan de rivier te
verlaten, om Boney M er maar even bij te slepen, om op te staan en een nieuwe horizon op
te zoeken. Vaak met pijn in je buik. Het kan een grote verandering zijn, maar het is niet altijd
een verslechtering. Durf te stap te wagen, durf je naasten in de ogen te kijken, gun ze hun
zelfgekozen plek onder het azuren gewelf, het uitspansel, en steek samen de menora aan.
Ze zal wel es kunnen blijven branden. Als je dat samen doet werkt dat bevrijdend en kun je
met opgeheven hoofd en desnoods vochtige ogen samen stappen zetten. Om de befaamde
dichteres Inge Klumper te citeren: “zeven armen - donker - zonder warmte - daar op het
tempelplein - het volk is bang en dan gebeurt heel bijzonder - een wonder - de olie raakt niet
op - het licht blijft branden acht dagen lang - en hoop vlamt op, laat verwondering leven:
toekomstgericht.”

zondag 28 oktober 2018

Pittsburgh

Elf doden in Pittsburgh. Doodgewone sjoelgangers zoals u en ik. Alhoewel ik bijna nooit ga. Dus eigenlijk moet ik zeggen: trouwere sjoelgangers dan ik. Neergemaaid tijdens een doodgewone sjoeldienst zoals die overal ter wereld plaatsvindt. Hoe het u vergaat weet ik natuurlijk niet, maar ik krijg het niet uit mijn hoofd en dat wil ik ergens wel. Lekker met de kindjes naar Oud Valkeveen, geintjes maken op Facebook, dat soort dingen. Ik post nog iets over een samenwerking tussen een Israelische en een Marokaanse vriendschapsvereniging. Bijzonder, ja. En dan toch maar de profielfoto bijgewerkt met een anti-semitisme-kadertje, u kent het wel. Volslagen zinloos, maar het genereert een soort saamhorigheidsgevoel. Denk ik. Tachtig jaar geleden, Reichskristallnacht.

Op de terugweg van de speeltuin naar huis valt mijn dikke baby van alweer 39 maanden in slaap. We rijden even langs de begraafplaats waar we een steentje leggen op het graf van de begin dit jaar overleden vriendin van ons gezin. Thuisgekomen blijf ik in de auto zitten wachten tot de baby wakker wordt. Het duurt even. Ik merk dat ik voor me uit staar en toch niet geheel onwillekeurig denk aan het eerste slachtoffer waarvan de naam bekend is gemaakt. Ik zoek hem op, op internet. “Dan Stein, 71 jaar, net grootvader geworden, “iedereen hield van hem.” aldus een neef. Een vrolijke foto van een olijke opa. Had zo naast me kunnen zitten bij de LJG op een sjabbatochtend. Omdat ik verder toch niks te doen heb, de baby snurkt nog even door, scroll ik maar wat door de reacties die ik zo tegenkom op deze massamoord. Aan het begin werd er gezegd dat de dader een baard had. Dus uiteraard schreeuwt de goegemeente gelijk dat er een moslim achter zit, zie je wel, zie je wel, zie je wel. Tachtig jaar geleden, Reichskristallnacht.

Nu heb ik maar een blauwe maandag bij het CIDI gewerkt, ik weet nog heel goed dat de meeste meldingen met betrekking tot antisemitisme uit kaaskopperige hoek kwamen. Dus hoe groot de dreiging uit islamitische hoek ook zal zijn, dat zag je niet terug uit de telling van de daadwerkelijke antisemitische acties. En ook nu blijkt de dader gewoon Robert te heten. En deze Robert was boos. Op Joden, dus die wilde hij doden. Allemaal. Hij bleef steken bij elf voordat hij zich overgaf. De doodstraf is nu een reële optie. Prima.
Ik scroll door en kom toevallig bij een live persconferentie waar de politie van Pittsburgh informatie deelt, vertelt wat inmiddels bekend is. Uiteraard vertellen ze niks nieuws, en de commentaren onder de uitzending vertellen ook niets nieuws: veel blijdschap vanwege de aanslag. Tachtig jaar geleden, Reichskristallnacht.

Mijn baby, okay peuter, wordt wakker en wil wel een glaasje water. Ik til hem naar huis en leg hem nog even op de bank, waar hij een slokje drinkt en ik hem een verhaaltje vertel, uiteraard een avontuur van Stronkeltje en Fonkeltje in Oud Valkeveen. Ik kijk naar zijn vrolijke dikke hoofdje, hij moet lachen om het door mij verzonnen gestuntel van de boeven die de sleutels van Oud Valkeveen gestolen hebben, toneelknecht Robin gaat ze vangen. Ik moet even slikken. Tachtig jaar geleden, Reichskristallnacht.

We herdachten vrijdag en zaterdag de Kristallnacht. Alweer 80 jaar geleden. Gelukkig zijn we het er allemaal over eens. Dit nooit weer.


Tree of life synagoge Pittsburgh


woensdag 5 september 2018

Soldaten aan de deur

Terwijl de soldaten op zijn deur bonsden dacht hij terug aan zijn mooie lange leven, dat nu weldra zou eindigen. Gezwoegd had hij, voor zijn prachtige gezin. Zijn lieve vrouw was al lang geleden overleden, maar wat hadden ze van elkaar genoten. De buren fluisterden dat ze zelfs op hun oude dag nog ondeugende dingen tegen elkaar zeiden terwijl ze hand in hand door de straat schuifelden. Hun straat eigenlijk. Niemand had er zo lang gewoond als de oude tortelduifjes. Maar nu was hij oud en alleen. De soldaten zouden hem meenemen en hij zou zijn huis nooit meer zien.

Wat hem te wachten stond wist hij niet. Er gingen geruchten, maar daar hechtte hij geen waarde aan. Hij was moe. De ooit zo vrolijke buren, die hem ondanks dat hij duidelijk “anders” was hadden geaccepteerd hadden hem de rug toegekeerd. Sommigen stonden nu te klappen en te schreeuwen terwijl de soldaten op de deur van zijn schamele woninkje bonkten. De tijden waren veranderd. Hij wilde nog even in zijn vertrouwde stoel blijven zitten, hij schaamde zich voor de tranen die in zijn grijze baard liepen. Nog even wachten. Hij keek om zich heen, naar alle herinneringen, zwartwitfoto’s van zijn familie, de meesten al dood, gestorven in Polen en nu was het zijn beurt, in handen van de Duitsers. Het onvermijdelijke.

Hij kon zich niet langer verstoppen. Wie van zijn buren hem had aangegeven zou hij wel nooit te weten komen, het kon iedereen wel zijn. Kwamen ze hem vroeger nog wel eens pannetje eten brengen, de laatste weken kwam niemand meer en op straat keken de mensen hem duister aan. Mensen die hij als vrienden had gekend wilden niets meer van hem weten. Hij hield zich voor dat ze bang waren voor de meningen van anderen, dat ze hem daarom negeerden. Hij was toch nog steeds dezelfde? Er was geen verschil. Hij had altijd meegedraaid in de gemeenschap, volop meegedaan. Dat telde allemaal niet meer.
Je kunt niet weglopen voor je wie je echt bent, dat had de geschiedenis hem wel geleerd.

Hij had zoveel joden gekend die nauwelijks wisten dat ze joods waren en werden uitgekotst door hun dorpsgenoten. Zo ging dat al eeuwen. En nu was ook hij gebrandmerkt. De soldaten schreeuwden dat hij de deur moest openen. Hij was bang voor de Duitsers. Wat zou hem te wachten staan? Hij veegde zijn tranen weg, streek door zijn baard en probeerde zijn oude rug te rechten. Dat ging nauwelijks nog. Hij keek nog een laatste keer naar de foto van zijn lachende echtgenote. Gelukkig hoefde ze dit niet meer mee te maken. Hopelijk zou er nog eens iemand langs haar graf gaan. De soldaten kwamen binnen.

Hij werd vastgehouden en hij kreeg het nog eens te horen: “Jakiv Palij, wegens medeplichtigheid aan de moord op 6000 joden in concentratiekamp Trawniki ontnemen wij u uw amerikaans staatsburgerschap en zult u worden uitgeleverd aan de Bondsrepubliek Duitsland.” Hij werd op een brancard vastgegespt en afgevoerd. Inmiddels is de 95-jarige oud SS-er aangekomen in Düsseldorf. Hij zal niet worden vervolgd voor oorlogsmisdaden maar kan zijn oude dag voorzien van alle gemakken slijten in een verzorgingstehuis in Westfalen.


Deze column is eerder geplaatst in NIW 43, 2018.

donderdag 30 augustus 2018

De Ontmoeting

Zoals jullie weten ben ik een bescheiden persoon dat zich het liefst op de achtergrond ophoudt. Mensen merken vaak niet eens dat ik er ben en nieuwsgierigheid of achterdocht is mij vreemd. Ik ben zeg maar een soort varen in een lelijke pot.

Toen ik dan ook afgelopen nacht oranje knipperlichten waarnam vanachter de gordijnen wist ik niet hoe snel ik me in mijn badjas moest hijsen om te veinzen dat er absoluut een vuilnisbak in de keuken (we hebben er vier, Almere doet aan extremistische vormen van afvalscheiding) geleegd moest worden in één van onze kliko´s (we hebben er vier, Almere enz.) in het voortuintje.
Ik dus semi-nonchalant met ogen op steeltjes zachtjes neuriënd naar buiten met de voor een kwart gevulde vuilniszak, om daar heel verrast de auto met kennelijke pech op te merken.

Er stonden drie mannen bij met een donker uiterlijk. Ze bleven als betrapt staan en staakten hun bezigheden, wat die ook mochten inhouden. Ik dacht onwillekeurig aan de sticker die ik een tijd terug op de lantaarnpaal voor ons huis had aangetroffen, die voorbijgangers er op wees dat er in ons huis Israelieten woonden, om het zo maar even uit de drukken. Eén van de mannen maakte zich los van zijn auto en kwam met ferme stappen op me af.

Dus. Auto met knipperlichten aan. Drie mannen met Noord-Afrikaans uiterlijk. Lantaarnpaal met merkteken. Man komt op me af. Met ferme stappen. Midden in de nacht.

De man die op me af kwam gaf me een hand en stelde zich voor. Reza nog wat. Verstond er natuurlijk geen klap van. Hij vertelde me dat ze het kerkgebouwtje naast ons mochten lenen van de International Church omdat ze multimediale producten maakten voor kinderen in Iran en ik geloof ook Tadzjikistan.
Hij vertelde dat ze alle drie uit Iran kwamen en nooit meer terug konden omdat daar de regels van de Islam golden.

Ik vertelde over mijn zoro-astrische (zoek maar op mocht je een versie van Google bezitten) postbode met zijn mooie gouden hanger en hoe bijzonder ik die oude Godsdienst vond. Hij beaamde dat ook de aanhangers van dit “geloof” het niet makkelijk hadden onder de sharia. De andere twee mannen lachten naar me en staken hun hand op.

Later bedacht ik me dat hij waarschijnlijk gewoon anticipeerde op wat zijn ervaring is. Mannen die eruit zien als hij worden misschien wel steevast met wantrouwen bejegend. In het donker wellicht helemaal. Dan kun je beter de buitenwereld met open blik en uitgestoken hand tegemoet treden.

Weer een mooie doordenker voor Jom Kippoer, even een ijkpunt. Hoe bejegen ik de ander, ongeacht kleur en omstandigheid?

Een goed jaar voor ons allemaal, met broederschap en harmonie! Sjana tova 5779.


Gepubliceerd in NIW 3, 2018

vrijdag 10 augustus 2018

Hoe het echt ging in de sauna


“Dag allemaal,” zou Tineke de Nooij zeggen. Ik moet iets bekennen. Dat zou ze dan weer niet zeggen. Herinnert u zich mijn vorige column nog? Uiteraard, het ging over blote mannen in een sauna, die met elkaar in gesprek waren over het Midden-Oosten en een stukje verbinding naar elkaar toe vonden toen het over Israel ging. Welnu, ik was in dit stuk niet helemaal eerlijk. Iemand suggereerde al dat je niet met een magen david (davidsster) om in de sauna kunt zitten, omdat je dan gelijk een os gebrandmerkt wordt door het verhitte edelmetaal. Dat was het echter niet, ik draag mijn ketting altijd. Wat het wel was: Ik heb een mooi einde verzonnen aan het gesprek. Maar jong, dat geeft toch helemaal niks, zult u denken. Of misschien wel hardop zeggen als u dat beter past, of als er een steekje bij u los zit. Je hebt als columnist nou eenmaal de vrijheid om de waarheid naar je hand te zetten. Toch knaagt het. Mijn krabbels in dit “krantje” zijn altijd autobiografisch en eigenlijk ook altijd bijna helemaal wáár. Waarom dan toch deze voor mij vreemde bokkesprong?

Welnu, hierom. Ik wilde graag weer eens iets lichtvoetigs schrijven, iets vrolijks, lolligs, om te lachen - na een aantal minder gezellige stukken die ik hier publiceerde. Het lukte me niet. Het gesprek is echt gevoerd, in de sauna in Almere. Het ging echt over de zonen van de genoemde heren en inderdaad, toen Israel ter sprake kwam deed ik mijn duit in het spreekwoordelijke zakje. Er kwam alleen helemaal geen verbinding. Sterker nog, ik verliet na een aantal minuten woedend de saunaruimte. Erg jammer ja. Ik zal nu maar verklappen hoe het gesprek eindigde. Bedenk: mijn gesprekspartners waren hoogopgeleide autochtone Nederlanders van een zekere standing. Ik hoop dat ze last krijgen van ingegroeide fistels.
Het oorspronkelijke en waarheidsgetrouwe einde van mijn ontmoeting noteerde ik als volgt:

“De dikste en lelijkste man, die ene die niets had om z’n ponem mee te compenseren, nam het woord. Hij zei dat hij met Israel in het achterhoofd de arabische boosheid nog wel kon begrijpen. Ik zei dat Israel toch juist haar best doet de vrede te bewaren, dat er geen Israelische zelfmoordterroristen zijn en dat Israel an sich de enige functionerende democratie in het Midden Oosten is waar arabieren in kunnen participeren. 
Nee, zei hij, dat is allemaal afleiding. En toen kwam het: “de Jood is sluw.” Zoals een oom van mijn vrouw op dat soort momenten placht te zeggen: me bloed liep weg. Ik vroeg hem wat hij precies bedoelde of zijn uitspraak gold voor álle joden, ook voor bijvoorbeeld mijn jongste kind (dat toen anderhalf jaar was) en dat wat hij zei puur antisemitisch was. “Ik mag zeggen wat ik wil, dit is een vrij land.” Hij keek zelfvoldaan voor zich uit, stuurs ook, met de armen over elkaar. Mij aankijken dorst hij niet. 

Ik kan u verzekeren waarde lezer dat de sfeer daarna niet meer optimaal te noemen was. Het werd een discussie waarbij ik steeds bozer werd en hij steeds kalmer, ik had het vast anders moeten aanpakken. De andere aanwezige mannen hulden zich in stilzwijgen. Het gekeuvel eindigde met yours tRoelie die wegliep en de deur met een klap dichtsmeet. Helaas was het een deur met een dranger, ik blijf een schlemiel. Dus hij zwabberde trillend in zijn sponning. Daarna was de druk van de ketel, maar ontspannen zat er niet meer in.”

Einde.

Geen leuke column. Geen pakkend, hoopvol einde. Niets om te lachen, enkel iets om beschaamd op terug te kijken. “Had ik het anders moeten aanpakken?” Ja, ik had hem mijn gloeiendhete Davidsster in zijn oog kunnen drukken, maar dat is niet goed voor het zilver volgens mij. Dan blijf je poetsen en ik heb wel wat beters te doen, heb ook nog een gezin en een Trabant waar ik druk mee ben. Ik wilde dat ik enkel rooskleurig schrijven kon. Dat is echter niet het geval. Dag allemaal, sjabat sjalom.


Deze column is eerder gepubliceerd op de site van het NIW, augustus 2018.

maandag 23 juli 2018

Ontspannen

Ik heb verheugend nieuws voor de visueel ingestelden onder u! Een visueel ingesteld persoon ziet doorgaans in zijn of heur hoofd beelden van door gesprekspartners geschetste situaties. Welnu, op dit moment ben ik uw gesprekspartner en ik verklap vol graagte dat ik regelmatig de sauna bezoek, slechts gekleed in mijn volle haardos die zich op mijn hoofd bevindt maar ook op belendende percelen zoals mijn gigantische rug. Terwijl u van de klap aan het bekomen bent, onderwijl “neen, neen, neen” mompelend en uw hoofd vol afgrijzen schuddend zal ik even een situatie schetsen zoals ik die onlangs mocht beleven. Met een aantal andere mannen - nog ouder en dikker dan ik, voor mij altijd een opsteker om in zulk gezelschap te verkeren - zat ik in Almere in een saunacabine. Twee van de heren waren in gesprek en in plaats van ze toe te sissen dat zulks verboden is en dat men dient te zwijgen genoot ik van hun verhalen. Ze hadden het namelijk over hun zoons en ze waren trots op hun kroost. Beide knapen dienden klaarblijkelijk in de heldhaftige armee die onder de bezielende leiding staat van onze door de Onnoembare aangestelde Vorst, dat hij leve, en waren gestationeerd in de zonovergoten landstreek die bekend staat als het Midden Oosten. Er was de jongelingen daar het één en ander wedervaren en de mannen verhaalden met name over de menslievende daden van hun knapen. Om een Fransman te citeren, geen idee welke: “Bon.” Het werd alleen iets minder gezellig toen ze begonnen over de vermeende Volkseigenschaften van de diverse volkeren daar in het altijd levendige en spraakmakende Midden Oosten. De arabieren waren eigenlijk allemaal tot op het bot verrot en te wantrouwen en democratie was aan deze barre schepselen niet besteed. Ze maakten allemaal ruzie met elkaar en de diverse stammen konden nooit in vrede samenleven. Het beste was toch wel om onze handen ervan af te trekken en ze allemaal een mooi kanon te geven zodat ze de wereld een plezier konden doen en ze elkander tot een heerlijke warme en dampende brei van borrelende ingewanden konden reduceren of in de beleving dezer mannen, opwaarderen. Gelukkig greep iemand in. Die vond het wel ver gaan om én alle mensen in het rijkelijk met zandstranden gezegende Midden Oosten over één onwelriekende luizenkam te scheren én de goeden op zo’n verdrietige wijze te laten lijden onder de talrijke, dat dan weer wel, kwaden. Niet overal staan de bevolkingsgroepen elkaar naar het leven, het gaat ook heus wel ergens goed. Hier voelde ik me geroepen om ook een duit, nou eigenlijk een shekel, in het harige zakje te doen. Ik noemde Israel als voorbeeld, als een plek waar ondanks de narigheid, toch óók sprake was van een samenleving waar verschillende mensen van uiteenlopende pluimageriën op zijn minst vreedzaam langs elkaar heen, maar ook wel écht sámen konden leven. Naakt rund dat ik was! Ik werd aangestaard alsof ik net met een meetlat in de hand had voorgesteld ieders mannelijkheid te gaan vergelijken. De dikste en lelijkste man, die dat helaas ook niet met iets anders kon compenseren, nam het woord. Hij zei dat hij met Israel in het achterhoofd de arabische boosheid nog wel kon begrijpen. Ik zei dat Israel toch juist haar best doet de vrede te bewaren, dat er geen Israelische zelfmoordterroristen zijn en dat Israel an sich de enige functionerende democratie in het Midden Oosten is waar arabieren in kunnen participeren. Er ontspon zich uiteindelijk een mooi gesprek en ik was in staat wat begrip te kweken voor Israel. We sloten het gesprek af toen we al zo goed als gesmolten waren. Hij zei: “Ik begrijp wel dat jij het opneemt voor Israel, je bent tenslotte joods.” Beschroomd keek ik naar beneden waar het onomstotelijk bewijs van mijn identiteit hing. Ik zei dat ik hier in de sauna inderdaad niet kon ontkennen dat ik joods was, daar kon niemand omheen, het bewijs was duidelijk aanwezig. “Zo is het,” zei hij. “Ik zag zelden zo’n grote. Is die Davidsster van zilver?”


Eerder gepubliceerd in NIW 39, 2018 en online op http://www.niw.nl/ontspannen




vrijdag 15 juni 2018

Alleen

Onze oudste wordt vandaag zeventien jaar. Onvoorstelbaar wat een mijlpaal.
Zijn laatste jaar als kind is ingegaan. Want als je kind achttien wordt is het gelijk volwassen. Heb je er geen omkijken meer naar, woont hij/zij zelfstandig. Verdient het kind geld en denkt het na over de namen van je kleinkinderen. Onzin natuurlijk. Mijn eigen ouders hebben me geleerd dat je kind altijd (je) kind blijft, hoe oud het ook is. Maar wat zijn de omstandigheden nu anders dan zeventien jaar geleden!
We woonden vrolijk in Zwolle en er was nog geen sprake van terreurdreiging. De Twin Towers zouden het nog drie maanden volhouden, Theo van Gogh pafte er vrolijk op los met drie jaar in het verschiet. Soms stond er een politiebusje voor de sjoel. De agenten kregen thee. Dat was het wel. Ongedwongen Joods leven met af en toe een donkere wolk, zoals elk mens die in zijn leven wel ontmoet. We verhuisden naar het West’n, omdat we meer Joods leven wilden en dat is in Amsterdam en omstreken nou eenmaal voorhanden.
Langzaamaan werd het leven ingewikkelder. Ik hoef het u niet uit te leggen, ook u ziet de vestingen waarin de synagogen zijn veranderd, het onvoorstelbare gedoe als je je kind naar een Joodse school brengt. De stress. Het sussen. Ook nu nog zijn er genoeg mensen die zeggen dat het tussen onze oren zit. Dat we ons bang laten maken, dat er eigenlijk niet zoveel loos is. Vandaar ook de tienduizenden Franse Joden die inmiddels zijn vertrokken naar Israël. Die gaan daar heerlijk een paar decennia op vakantie natuurlijk. Want er is eigenlijk niks aan de hand. ‘Ha, maar dat is buitenland hè! Das heel nie hier hee!’ Oké. Laten we het dicht bij huis houden, helemaal prima.
Unheimisch
Ik pik een willekeurige dag, een dinsdag, drie weken geleden. Mijn toen nog niet jarige kind ging met school op reis naar een Duitse universiteit. Gezellig met andere pubers in een bus, dolle boel. Totdat de jongen naast hem ontdekte dat hij naast een Jood zat en per se ergens anders wilde zitten. Hij vertelde mijn zoon hartverwarmend dat hij hoogstpersoonlijk de Joden zou uitroeien. Dezelfde dag hoorde ik van een vriend dat hij die ochtend was afgesneden door schreeuwende mannen in een auto. Het werd bijna een ongeluk. De mannen hadden hem op de korrel genomen omdat hij een keppel droeg. In de middag belde ik met een klant die me vertelde dat ze geen zaken met me wilden doen omdat ik Jood ben. Een schrale troost: ook met ‘negers’ wilden ze niets te maken hebben. Deze drie dingen, op één dag. Er is natuurlijk niets aan de hand. Niemand is gewond geraakt. Het viel reuze mee. Mensen met rood haar hebben het ook moeilijk. Bagatelliseer maar door. Er hangt wel degelijk wat in de lucht, en het geeft me een unheimisch gevoel.
Laten we toch weer eens over de grens kijken: De VN stemde de afgelopen week over het onzalige plan van Algerije en Turkije om voor de zoveelste keer Israël aan de schandpaal te nagelen voor gewelddadigheden die op zijn pad kwamen. Het maakt niet eens uit waarover de resolutie echt ging, het is toch elke keer hetzelfde liedje: Israël is vreselijk, de Palestumpers zijn ook vreselijk, maar dan vreselijk zielig. Net even wat anders. Afijn. Honderdtwintig landen steunden de resolutie, vijfenveertig onthielden zich van stemming (en spraken zich niet uit, steunden Israël niet). Acht landen stemden tegen. Acht! Uiteraard zaten hier de VS en Israël zelf bij. Onder de landen die voor de resolutie stemden vinden we België, Frankrijk en Spanje. Ons eigen heldhaftige Nederland onthield zich van stemming.
We staan er alleen voor. Wereldwijd.
Deze column stond eerder in NIW 35, 2018 en online op https://www.niw.nl/alleen/

dinsdag 22 mei 2018

Afscheid

Ik repte me naar het adres dat op haar kaart stond. De dag ervoor, toen één van mijn kinderen me de envelop gaf was ik even bevroren. Ik meende haar handschrift te herkennen, alhoewel wat slordiger geschreven dan ik van haar gewend was. Bij binnenkomst trof haar rieten kist me als een stomp in mijn hart. Tranen renden over mijn wangen als lenige kikkers over een nat grasveld. Eigenlijk bestaat een rieten kist niet, vind ik. Een kist is van hout, is degelijk. Planken. Een mand is van riet. Maar om nou te zeggen dat ze in een rieten mand lag, nee, dat klonk ook gek. Als een spinnende warme poes gerieflijk opgekruld in plaats van koud en dood en stil. Een maand geleden had ik haar nog bezocht. Ze had me een appje gestuurd: “Hee, mijn aardse bestaan loopt ten einde, als je me nog wilt zien moet dat nu gebeuren.” Gezien onze ingewikkelde geschiedenis vroeg ik maar voorzichtig of ze dat graag wilde. Ze dacht van wel en ik ging. Het was helend. Ik had haar zo’n 20 jaar geleden voor het laatst gesproken en ondanks de pruik was ze weinig veranderd. De morfine-pleisters hielden haar gaande en ze vertelde vol trots over haar neefje en nichtje, liet me haar konijntjes zien die vrolijk over de plankenvloer hobbelden en informeerde honderduit naar mijn kinderen. Zelf had ze tot haar verdriet geen man en geen kinderen, ze worstelde met het idee dat ze niets zou achterlaten. Ook liet ze me trots haar autootje zien, deze zou straks naar haar overbuurvrouw gaan. Hartelijk als ik ben zei ik dat ik het maar een saaie Japanner vond. Die auto, niet die buurvrouw hoor. Ben geen racist he. Fronsend en met een meewarig glimlachje keek ze naar mijn Trabant. Ik realiseerde me dat ik een dochter van school moest halen en ik nam enigszins gehaast afscheid. Een laatste omhelzing, een laatste kus. Een beetje verward tweetakte ik terug naar huis. De dag erna appte ik dat ik het fijn vond haar nog even gezien te hebben, er waren dingen uitgesproken en het was goed. Zij beaamde dat. Ik realiseerde me pas de dag erna dat dit echt de laatste keer was geweest. Op vrijdag appte ik haar een laatste groet, ik vertelde dat ze belangrijk voor me was geweest, dat ik veel van haar gehouden had en dat ik de herinnering aan haar voor altijd in mijn hart zou bewaren. Zaterdag overleed ze. Daar lag ze in de kist/mand. Vijfhonderd jonge mensen in de zaal, allemaal veertigers net zoals zij, tranen, maar ook vrolijkheid. Haar zus refereerde aan me in haar toespraak als “de eerste grote liefde met wie ze op reis ging naar Israël.” Dat hakte er wel even in. Toevallig die dag ook nog Jom Ha’atsmaoet. Opgegroeid in een gezin dat je zou kunnen omschrijven als “ongelovig” (voor zover dat bestaat) sprak haar zus de hoop uit dat ze toch nog ergens was, met ze meekeek, genoot van de mooie woorden en de door haar uitgekozen muziek. Die vraag had ze mij bij het laatste bezoekje ook gesteld: “Denk jij dat het ophoudt?” Ik zei: “Nee, het houdt niet op. Verder weet ik ook niks, maar dood is niet dood.” Ze keek me twijfelend aan. Toch ben ik ervan overtuigd, vraag me niet waarom. Zoveel verschillen we niet van elkaar. Haar hart klopt niet meer, het mijne wel, maar dat was het wel. Denk ik. We zijn allemaal een zucht van de Eeuwige, elk mens is kostbaar. Dat houdt niet op. Ik condoleerde haar moeder die me aanvankelijk even niet herkende. Niet vreemd als je bedenkt dat het 23 jaar geleden was dat ik uit hun leven was vertrokken. Het kwartje viel en ze zei dat ze het geen goed idee van haar had gevonden me uit te nodigen vorige maand. “Ik zei; zou je dat nou wel doen?? Maar ja, zoals je weet koos ze altijd haar eigen weg.”
Einde
Deze column stond eerder in NIW 30, 2018.

dinsdag 3 april 2018

Terug in Egypte

Het mooie van Pesach is het bevrijdende gevoel dat je ervaart als het weer afgelopen is.
Na een dikke week matses naar binnen harken tot je wit ziet van ellende en snakt naar een
pistoletje hamkaas zonder ham mag je weer als vrij vrouw of man (hopelijk van goede naam)
de wereld in, zonder ketenen, richting het licht, de lente, de zomer.

Is dit echt zo? Zijn we vrij? Ik denk dat het in de praktijk erg tegenvalt. We laten ons leiden
door emoties, door angst en laten ons hierdoor dusdanig manipuleren dat van echte vrijheid
geen sprake meer is. Onze ongedwongenheid, waar is ze gebleven? Kunnen we ons naar
de buitenwereld nog zonder enige schroom profileren als joden? Ik denk dat onze nieuwe
slavernij daaruit bestaat dat dat niet meer kan - of dat we onszelf dat niet meer toestaan.
Deze nieuwe slavernij zit hem dus niet in gedwongen werkzaamheden - alhoewel ik als
vader van een groot gezin vaak genoeg wordt gedwongen met een kleine slavendrijver op
mijn rug als paard te functioneren terwijl ik de etensresten van het genoemde tweejarige
slavendrijvertje tussen de kieren van ons sedert lang versleten laminaat vandaan probeer te
peuteren - deze nieuwe onvrijheid zit in ons hoofd.

Ons hoofd. Dat was altijd de plek waarvan je dacht dat je vrij was, hier golden alleen je
eigen wetten, als je die jezelf al oplegde, maar nu regeert daar meer en meer de Farao
genaamd Onbehagen de Zoveelste. We worden opgejaagd door angst, door onrust. Lang
riepen we dat het wel meeviel, maar dat punt zijn we nu voorbij: het valt niet mee.
Zo kunnen we al een tijdje niet meer bekeppeld gaan en staan waar we willen, we kunnen
ons niet meer overal uitspreken als zionisten (mochten we dat zijn uiteraard… en voelt u de
nieuw lading van dat woord? Niet om vrolijk van te worden.)
Wist u dat de uitdrukking “zich gedeisd houden” een jiddische oorsprong heeft? Natuurlijk
weet u dat, u leest het NIW, u weet alles. Toch, voor de enkeling die op de Bijzonder Lagere
School alleen maar heen en weer wiegend uit het raam staarde zal ik het even laten
uitleggen door meneer Van Dale. Die zegt hierover: “Gedeisd komt van het Jiddische deisje
("hou op, stil").”
Joden moeten zich al 2000 jaar gedeisd houden, enkele gouden of zilveren decennia
daargelaten. Het leek wat beter te gaan, maar de goede oude tijd is bezig aan een opmars.
We kunnen ons daar niet aan ontworstelen, dit feestje van herkenning gaat gewoon door,
we worden meer en meer gedwongen ons gedeisd te houden en wellicht uiteindelijk de
Noordzee te splitsen tot aan Cyprus en ons in gang te zetten richting het Beloofde Land,
waar we worden opgewacht door cursusleiders Ivriet en torenhoge huizenprijzen.

Zoals altijd probeer ik er een beetje lollig over te doen, maar het is natuurlijk verre van
grappig. De gemeenteraadsverkiezingen zijn net geweest, in 13 steden zijn
volksvertegenwoordigers gekozen voor wie het bestaansrecht van Israel op z’n minst
discutabel is en waarvan een deel zonder twijfel een hekel heeft aan joden en hun -dom.
Waait wel over? Nee, die partijen are here to stay. We kunnen hard optreden tegen
antisemieten (doen we niet) we kunnen ons uitspreken (doen we met mate), het zal niet
helpen. Hoe vrij we onszelf achten in ons denken, hoe tolerant naar anderen toe, de
groeiende groep ‘anderen’ die ons, onze manier van denken, onze democratie niet ziet zitten
zal niet veranderen. Hun groepsdruk zal dat nooit toestaan, ze zijn slaaf van hun eigen
sociale structuren en denkpatronen, ook al ervaren ze dat waarschijnlijk niet zo. Ze voelen
een warm nest waar het “ons΅ belangrijker is dan het “ik” - terwijl dat bij de mensen buiten
hun groep vaak precies andersom is.

Maar wat doen we zelf? Blijven we slaven van Farao Onbehagen of verlaten we de
bouwplaats van de piramides van de angst? Om te beginnen: we moeten. We kunnen niet
als zenuwelijers blijven klagen en elkaar - dat doen we ook - banger en banger blijven
maken. Laten we onze troffel ter hand nemen en bouwen aan onze eigen vrije wereld. Om te
beginnen in ons hoofd. Ons uitspreken tegen antisemitisme, we zullen ons vrijer voelen.
Maar daarna…. volgend jaar in Jeruzalem?

Eerder gepubliceerd in NIW 24, 2018.

vrijdag 9 maart 2018

Nooit meer naar Polen

In 1991 was ik voor het eerst en voor het laatst in de voormalige Volksrepubliek Polen. Als Trabantliefhebber was ik op vakantie in de ex-DDR en ik ondernam een rit met de - toen nog - Deutsche Reichsbahn (hoe bizar om de naam van de nogal besmette Grootduitse spoorwegen gewoon na de oorlog te blijven handhaven) om via Stettin (de oude Duitse naam voor Szczecin) naar de badplaats Swinemünde (de oude Duitse Naam voor Świnoujście) te reizen. Het hele gebied daar hing aan elkaar van voormalig- ex- en voorheen, Duits, Communistisch en fascistisch. Ik was ook nog op reis met mijn toenmalige vriendin, dus dat woord kunnen we er ook nog aan toevoegen. Wat me opviel was de vreselijke grauwheid van het gebied. Alles was smerig, oud, vervallen, sinister en onvriendelijk. Waren de mensen in de ehemalige DDR nog aardig, belangstellend, hoopvol, pas licht gedesillusioneerd  of nog niet eens, in Polen was het anders. De omgeving zag er vergelijkbaar uit, maar niet de mensen. Ik vond ze lelijk, onvriendelijk, vijandig, uit op je geld en ik nam me dan ook voor nooit meer naar het land terug te keren. Ja, ik ben niet zo van de tweede kans en ben dol op generaliseren, dat houdt het leven tenminste overzichtelijk. Polen deugen niet. Enfin, ik ging een Polenloos leven tegemoet en dat beviel prima, zij kregen hun door de EU gesubsidieerde geluidsschermen langs hun stumperige snelwegen om hun magere koeien te beschermen en ik ging studeren, maakte niks af en ging werken en trouwen enzovoort. Helemaal prima.
Beetje jammer dat ik nu weer word geconfronteerd met dat volk. Ik heb natuurlijk niks tegen Polen, ik heb wat tegen de UITWASSEN van de Polen, om Greet Wilders maar even te persifleren. Wat hebben die liefhebbers van betonnen flatgebouwen en lelijke snorren nu weer bedacht? Het moest maar eens afgelopen zijn met het benoemen van feiten. Per heden is het strafbaar om te zeggen dat Polen medeschuldig is (of waren, al naar gelang de stand van je geschoren kam) aan het vermoorden van de eigen Joodse bevolking. Toen ik het op mijn radio-cassettespeler hoorde maakte mijn Trabant wel even een slinger. Een land dat haar eigen verleden ontkent en en passant de slachtoffers uitlacht, dat hebben we sinds onze eigen aanvankelijke reactie op de politionele acties niet meer meegemaakt. Je kunt nu drie jaar gevangenisstraf krijgen als je beweert dat Polen medeplichtig waren aan de misdaden van het Derde Rijk. De Israëlische journalist Ronen Bergman stelde de Poolse premier Morawiecki rechtstreeks de vraag of hij, wanneer hij zijn familieverhaal zou vertellen - zijn Pools-joodse familie was door de buren aangegeven bij de Gestapo - in de bak zou worden gegooid. Dat vond de premier maar een malle vraag, natuurlijk niet, er waren naast joodse en Duitse daders ook heus wel nare Polen.
Ik las hier even een pauze in zodat u uw zojuist uitgespuugde koffie van het NIW kunt vegen.
Als ik niet zulke dikke kuiten had was mijn broek afgezakt tot dóór het laminaat. Hij benoemde de slachtoffers als daders en noemde ze in één adem met de nazi’s. Dat valt gewoon onder de internationaal erkende definitie van Antisemitisme. (Nou ja, internationaal erkend, uiteraard nog niet door onze eigen regering hè.) De overige aanwezigen bij de persconferentie sprongen in verontwaardiging op en riepen in al hun verschillende talen naar de premier dat hij dat niet kon maken, dat hij zich moest schamen en excuses moest maken. Geintje, uiteraard deed niemand wat, hield iedereen zijn mond en liet men Ronen Bergman gewoon aan zijn verbijsterde lot over. Pfoei.
We hoeven niet verbaasd te zijn, Polen blijft (of blijven) Polen, de laatste grote pogrom vond zoals bekend plaats in juli 1946, toen uit de kampen teruggekeerde Joden te grazen werden genomen in de plaats Kielce door hun oude buurtjes die op hun spulletjes hadden gepast. 41 overlevenden werden alsnog vermoord. Door Polen.
Eerder gepubliceerd in NIW 20, 2018.


maandag 26 februari 2018

Gelul met bietjes

Waar jullie ongetwijfeld al jaren diep niet van doordrongen zijn is het feit dat ik advertentieruimte verkoop in een 15-tal bladen. Het leeuwedeel, zoals genoegzaam toch wel niet bekend zal zijn, bestaat uit christelijke tijdschriften. Ik heb dus de hele dag contact met christenmensen van diverse pluimage en richtingen. Ooit sloegen die richtingen malkander de beide hersenhelften in omdat de één beweerde dat de slang Eva met een Drents accent slissend de appel aanbood terwijl de ander ervan overtuigd was dat de slang, die toch een wrede snodaard was om zo’n arm kersvers pas geschapen vrouwmens te verleiden tot het ultieme kwaad, Duits sprak met een Syrische tongval en dat dan telepatisch omdat een slang nou eenmaal te weinig stembanden heeft om helder te kunnen oreren. Reeds. Tegenwoordig kunnen al die 734 kerkgenootschappen het redelijk met elkaar vinden en soms trekken ze zelfs de bijl uit de schedel van hun afwijkende geloofsgenoot en gaan samen in de leeglopende kerkbanken zitten zingen dat het een lieve lust heeft en je de tranen in de ogen springen. Afijn. Ik hou van die mensen en zij houden van mij, dus de verkoop loopt als een tierelier en iedereen is helemaal heppie de peppie.


Een welopgevoed advertentieverkoper trekt er zo nu en dan wel eens op uit, met een stapel bladen in zijn koffertje, gako-pak aan en gaan met die banaan. Gezellig langs bij de dierbare klanten met de bedoeling de relatie te bestendigen en ze de laatste centen uit het beursje te kloppen. Ik mocht dus naar De Dominee. De Dominee was een begrip bij ons op de uitgeverij. Naast zijn zondagse taken was hij eigenaar van een vijftal gelderse fietsenzaken en twee enorme campings. De campings huurden fietsen bij de rijwielhandelaren en om de camping te vullen met over het Smalle Fietspad huurfietsfietsende broekrokken en gesteven pantalons adverteerde de Dominee in mijn christelijke blaadjes. Dat deed hij al heel wat jaren en we vonden het wel eens tijd worden voor een persoonlijke ontmoeting. Geen probleem, ik zou graag eens komen kijken bij hem op een van de campings of juist in een van de fietsenzaken. Niets zo heerlijk als de geur van een verse binnenband. Hij wilde echter dat ik bij hem thuis zou komen eten, in de pastorie naast zijn kerk, in het Gelderse dorp. Dat vond ik reuzespannend. Ik had hem nog nooit ontmoet en nu mocht ik bij hem dineren. Wat kon ik in Hemelsnaam of eh.. in vredesnaam verwachten? Een dominee van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, de enige nog bestaande kerk van dit al in 1946 opgeheven kerkgenootschap, die zou me vast om de oren slaan met bijbelteksten, dat ik toch zo snel mogelijk met mijn Trabant de Smalle Weg zou moeten kiezen en onze joodse broer van lang gelêe zou moeten accepteren als enig middel om een eeuwigheid gillen in het borrelende ossewit te kunnen voorkomen. Dus ik mijn stoute nieuwe schoenen en mijn gako-pak aangetrokken, met de Trabant naar het Gelderse dorp. De kerk doemde op, de toren wierp een zware zwarte schaduw over de ernaast gelegen pastorie. De Dominee stond me in de deuropening op te wachten. Niet verrassend, hij zag eruit als een dominee, rijzig, zwart pak, de oogopslag van Gert Schutte van de GPV, u kent hem nog wel. Hij noodde me binnen en schonk me ongevraagd een glas wijn in. Het werd een genoeglijke avond, de dominee was een begenadigd spreker en vertelde volop over zijn wederwaardigheden als herder van een vergrijzende gemeente. Gelukkig, er waren ook jongeren in zijn kerk. Dezen lieten zich elke vrijdagavond vollopen met Aldi-bier in een stacaravan en hij sprak ze daar op aan. Ladderzat een trekker besturen in het holst van de nacht is uit den boze. Ze dienden hem van repliek: alles is toch voorbestemd, wie verloren gaat en wie niet, dus het maakte allemaal niks uit wat ze deden. “Gelul met bietjes!” baste de Dominee. “Mensen hebben twee kanten, een goede en een kwade en je kunt zelf kiezen of je als klootzak wilt leven of niet”. De jongeren waren er danig van onder de indruk. En ik ook. Dat is een hele joodse manier van denken, Dominee! Hij knipoogde naar me en schonk zijn glas weer in.

Geelkerken-foto.jpg (640×480)
Eerder gepubliceerd in NIW 15 van 2018.