maandag 25 augustus 2014

Een vaderhart

Doorgaans ga ik grappend door het leven (alhoewel ik ook wel zwaar op de hand kan zijn) maar de laatste tijd is dat anders. Ik voel me opgejaagd, schichtig en heb het meer dan ooit het gevoel dat de nieuwsberichten geen ver-van-mijn-bed-show zijn. Elke dag brengt schokkende berichten. Soennitische terroristen die christenen kruisigen, die kinderen onthoofden, die vrouwen verhandelen als seksartikelen, die honderden krijgsgevangenen afslachten, journalisten vermoorden, steden plunderen en de inwoners de hongerdood injagen, en dat enzovoort, enzovoort. Ondertussen lijkt de wereld lamgeslagen. De VS komen eindelijk in actie in het Koerdisch gebied, echt zoden aan de dijk zet het nog niet. Nederland gooide ook wat tupperwarebakjes en slaapzakken op de berg van de Yazidis. Ik had nog nooit van dit betreurenswaardige volk gehoord.
Hun fanclubs zijn ook in Europa actief, we zien ze allemaal door de straten van Frankfurt, Parijs, Berlijn, Keulen, Den Haag en Amsterdam marcheren, met hun zwarte banieren met wit  “logo”. (Even een Godwin: weet je wie ook een zwarte vlag met een wit logo had?) Ze schreeuwen: “Dood aan de joden!” In een voor de meesten van ons onverstaanbare taal, maar ze roepen het wel.
Het enge aan deze mannen en vrouwen vind ik hun stelligheid. Ze weten hoe het zit. Je hoeft ze echt niets te vertellen. Sterker nog: dat is slecht voor de gezondheid. Zij aan zij met deze - al dan niet - religieus geïnspireerden lopen mensen uit de progressieve partijen. Linkse mensen, die vroeger streden voor vrouwen- en homorechten en die nu hand in hand lopen met mensen die vrouwen een andere plek toekennen dan mannen (to put it mildly) en bij wie voor homo’s geen plek is in deze wereld. Dat maakt het nog spannender vind ik. Alle begrip voor hun gevoelens van solidariteit met de kinderen van Gaza, maar is dat voldoende om je te liëren aan groeperingen die lijnrecht tegen je eigen democratische beginselen ingaan? Israël besloot deze maand de huwelijken van homoseksuelen die naar Israël emigreren te erkennen. Dit is onbestaanbaar in de landen om Israël heen. Toch is Israël altijd de bad guy bij het weldenkende deel der natie en zijn veel intellectuele progressievelingen solidair met hen die van Israël af willen.
Het valt me op dat er een grote groep onverschilligen is. Mensen die narrig worden als ze wéér iets horen over het drama in het Midden Oosten. Op Facebook komen ze vaak genoeg voorbij: “Hek erom en het ze lekker laten uitvechten.”, “Gewoon Israel ontwapenen en het lost zich vanzelf wel op.”
 “Je post alleen maar nare berichten, ik volg je niet meer.” Geen enkele intentie om zich er in te verdiepen, want daar krijgen ze een ongemakkelijk gevoel van. Ze willen niet terugkijken naar het ontstaan van Israël of naar de reden dat er nog maar 40.000 joden in Nederland over zijn. Interesseert ze helemaal niks. Voor hun is het wél een ver-van-hun-bed-show en dat moet vooral zo blijven. Liever zien ze cupcake-foto’s en alfabet boerende puppy’s.
Wat mij vooral bezighoudt is dat dit niet over gaat. De oorlog in Israël heeft het uiten van reeds aanwezige gevoelens alleen maar gelegitimeerd. Die haat was er al en wachtte op een uitlaatklep. Als er straks met G’ds hulp weer een soort vrede of wapenstilstand is zullen de uitbarstingen misschien wegebben, maar de haat zal blijven. Wat kunnen we doen? Dit blijft. Ook de duidelijke keuzes die sommige politieke partijen maken, de weg die sommige intelligente mensen gaan (“Isis is een zionistisch complot!”) bevreemden me en maken dat ik me unheimisch voel.

Op vrijdagmiddag haal ik vaak de jongste twee van school. Ik kijk dan naar mijn kindjes, eentje in het stoeltje, de ander op zijn brakke fietsje naast me en voel een steen in mijn maag. Wat te doen? Moeten we hier wel blijven in Nederland? Pfffff….. spanning in mijn geest en in mijn lijf. Thuis zakt het wel weer, maar het blijft aanwezig. Dan kijk ik maar weer naar onze vijf vrolijke aapjes, de jongsten hebben niet in de gaten dat er een vijandige wereld is, de wat ouderen beseffen het soms. Ik maak me gewoon ontzettend veel zorgen. Gelukkig hebben we een overheid die over ons waakt. Toch?



Geschreven in opdracht van de Joodse Omroep, aug. 2014

donderdag 10 juli 2014

Operatie Heel Roel

Zoals jullie allemaal weten, het gaat niet uit je hoofd sinds ik die foto’s op Facebook plaatste, ben ik vier jaar geleden door een heuse dokter gesteriliseerd in mijn scrotum. (zie ook http://jisroel.blogspot.nl/2010/10/onklaar.html).

Klaarrrr! Zul je denken, Roel is steriel, de wereld haalt opgelucht adem, misschien gaat-ie ook nog wel mee op die missie naar Mars, dat zou helemaal fantastisch zijn.
Helaas, helaas, helaas…. Heb ik even slecht nieuws voor jullie. Bij zo’n 2-5% van de mannen, meestal degenen met het hoogste IQ en het grootste geslacht, blijft er complicaties nadat de slager met mesje nummer 17 de slagaders des levens heeft doorklieft. Je blijft er last van houden, je snapt er geen bal van maar het is –plat gezegd- vrij klote. Maar Roel, vertel! Wat schortte eraan knul?? Ho ho ho, nu niet opeens allemaal belangstelling veinzen omdat het toevallig gaat om mijn intieme instrumentarium, mijn jongens, mijn slagwerk, mijn gelderse kookworst.
Omdat jullie zo aandringen en me schijnbaar niet met rust kunnen laten (“mag ik een gipsafdruk Roel???” tssk tssk tssk) zal ik jullie inlichten aangaande deze precaire situatie. Reeds. Ik voelde continu mijn nootjes in de knikkerzak, geen pijn, geen jeuk (hou op), maar gewoon een bewustzijn dat er “iets” zat bij mijn nabestaandenfabriek en dat was reuze IRRITANT. Er dringt zich een vergelijking aan me op die helaas niemand kan verifiëren: alsof je maandverband niet goed zit. GEK werd ik ervan. Bij het lopen, bij het zitten, bij het gaan en bij het staan. Enkel gedurende de intieme situaties in den echtelijke sponde had ik er géén last van. Het idee om mijn vrouw of wellicht willekeurige voorbijgangsters continu bloot te stellen aan mijn Amsterdammertje kon me ook niet bekoren, mensen gaan dan over je praten alsof je mal bent en dat is natuurlijk niet zo. Bovendien weet ik ook niet of ik mijn vrouw lang genoeg vastgebonden zou kunnen houden. Dus. Aangezien ik niet de ganse dag in kennelijke staat kan verkeren moest er wat aan gebeuren.

In mijn grenzeloze wijsheid besloten wij dan ook de hele bliksemse doorgeknipte zooi weer te herstellen alsof er nooit wat gebeurd was. Ik dus naar de uroloog. Nu is praktisch elke uroloog joods dus dat was erg gezellig. Ken je die en die eikel? “Ja, dat is mijn zwager.” O. HAHAHAHA. Slik en nu terzake. Dat was snel voor elkaar want zo’n hersteloperatie, in vaktermentaaljargon “vaso vaso” genaamd, is een leuke klus van zo’n anderhalf uur onder volledige narcose waar elke uroloog letterlijk zijn vingers bij aflikt.

Ik dus opgelucht naar huis. Alles zou reg komen. Fluitje (haha) van een cent (rijksdaalder). En lekker onder narcose. Voor het eerst. Dus ik zal wel doodgaan dan hè, zo gaat dat. Okee, de dag der dagen brak aan ik wandelde vrolijk het hospitaal binnen en voor ik het wist lag ik naakt met een groen shirt (verkeerdom!) aan in een bedje. Gedrogeerd met oxazepam en met een spuit in het buikvet. Heerlijk was dat. Een grote Surinaamse mevrouw – Surinaams accent- , ‘het is een heel gepiel hoor, zo’n operasie’, reed me naar een zaal met allemaal andere stumpers en daarna naar een andere zaal met veel mondkapjes en groene lapjes, alwaar ze zei: – Surinaams accent- “Ik ga je zuurstof geven hoor..” hetgeen een grove leugen was want halverwege het Sjema (joodse geloofsbelijdenis) was ik al weg.

Daarna was ik weer wakker. Hier komt een psychisch aspect om de hoek kijken, dus als dat te ingewikkeld is mag je het overslaan. Ik werd huilend (bizar! Ik huil nooit omdat ik een man ben! Kwam door de narcose denk?!) wakker terwijl ik de overige nog half slaperige sloebers trakteerde op een melodramatisch gezongen ”Ik ben weer heel, ik ben weer héél!!!!” Vervolgens vroeg ik de dienstdoende zuster (verpleegkundige, sorry) of ik haar hánd mocht vasthouden. Hier las ik even een pauze in zodat jullie je tranen van het uitlachen kunt drogen. Dit verhaal is namelijk ongelogen.

Men reed mij – met toc en 3000 meter verband om den muis – terug naar mijn kamertje alwaar mijn teerbeminde op mij wachtte. Na enkele uren jammeren mocht ik naar huis, ik heb alleen geen idee meer hoe ik daar gekomen ben, misschien heeft Jorritsma me wel gebracht. Thuis aangekomen werd ik vol afgrijzen door de zoons aangekeken en de dochters vonden het wel grappig geloof ik.

Na twee dagen mocht ik mijn kermende knaapje bevrijden van toc en verband en stond ik oog in oog met het meest afgrijselijke dat ik ooit mocht aanschouwen. Ooit waren het blozende rimpelkussentjes, nu had ik twee paarse kalebassen die op een zomerse groenteshow ongetwijfeld de prijs voor grootste en hardste exemplaren hadden gewonnen als ik ze daar op een schotel, beter een schaal, had gedeponeerd. Het paarse landschap werd doorvlochten door vrolijke zwarte draden die alle kanten opstaken. En het voelde alsof er een satanische mannenhaatster van 176 kilo met grote boerenklompen op aan het springen was. PIJN.
De dames die het lezen wellicht hebben volgehouden en tot deze zin zijn aanbeland verzuchten nu: “Ja, maar alle mannen zijn ontzettende jankers en aanstellers en kleinzerige zeikerige rotpeuters! Wij doen bevallingen en scheuren dan in en uit van navel tot bilnaad! En geven geen krimp behalve een oprechte glimlach omdat we een weliswaar lelijk maar toch lief kind mochten ontvangen!”

Daar hebben jullie een punt, o hennarood geverfde bozige types, mannen staan er om bekend dat ze bij het minste of geringste gaan kermen als halfdoodgeknuppelde walvispuppies, wijs naar een voetballer en hij ligt al stervend op de grond. I know. Ik ben dus niet zo. Ooit had ik een broodmes in mijn vlees, gelukkig kwam die niet door het bot, met een fontein aan slagaderlijke bloedingen tot gevolg. (De jongste telg had het mes vast en ik nam het manmoedig van haar over, waarbij ze haar handje met daarin nog het dodelijke wapen fluks terugtrok, zodoende de tanden van het mes in mijn vlees dringende.) Ik verloor in een mum van tijd 8 liter bloed maar bleef kaarsrecht staan en sprak tot mijn echtgenote:  “Help, help, ik ga dood”.  Of nee, ik zei: “Komaan vrouwmens, draal niet en breng mij dalijk naar het hospitaal.” Enfin.

Wat ik zeggen wilde is het volgende: de zwellingen werden erger en erger, paarse skippyballen in de pantalon, ik kon alleen nog heul, heul wijdbeens zitten met een groen hoofd. Dus de poli gebeld. Drie keer. Daar werken alleen vrouwen. Ze hoonden alles weg. Uiteindelijk mocht ik de dag waarop de uroloog op vakantie ging komen. Dat was een vrijdag! De dag waarop altijd sterilisaties plaatsvinden. De wachtkamer zat vol met zenuwachtige mannen en boosaardig genietende vrouwen. En daar kwam ik binnen. Een groene, strompelende, wijdbeense schaduw van een man, die zich moest vasthouden aan de muur. Alle mannen renden gillend weg, ware het niet dat hun vrouwen hen met enkelbanden aan de in de grond verankerde tafelpoten hadden geketend. Zonder gekheid: mijn deernis werd in hen gekopieerd. Dat was leuk! De uroloog keek me diep in de eh… ogen. Ik zong “Jantje zag eens pruimen hangen o als eieren zo groot…” De uroloog zei: “Ja.” Hij lachte geeneens. Wel noemde hij me een pechvogel. Dat was leuk om te horen. Ik kreeg antibiotica mee en pijnstillers die eigenlijk op de lijst van Verdovende Middelen thuishoren.

Ik strompelde weer weg aan de arm van de vrouw met wie ik nooit meer een intieme relatie zou gaan hebben, door de wachtkamer alwaar de resterende heren flauwvielen. Ik liep langs de balie waar de Surinaamse mevrouw me vroeg: “Had je nou écht wat?” Ik stamelde “Ja”, ze zei: - Surinaams accent – “Zie je wel, zei ik toch.” 

Nu heb ik nog één struisvogelei en één kippenei. Komt goed.


vrijdag 21 februari 2014

Geknipt

Vandaag was ik weer gezellig bij mijn Koerdische kapper. Dat is altijd erg prettig, want we vergelijken dan altijd Koran en Tora-verhalen en hebben het uiteraard ook over het Midden Oosten waarbij we dan de prestaties roemen van respectievelijk Israel en Koerdistan. Ooit sprak hij vaak lacherig over de vrome types die in onze buurt wonen, hij had het niet op die scherpslijpers, maar sinds ze zich bij hem laten knippen hangt tóch de islamitische geloofsbelijdenis boven de deur en knipt zijn vrouw alleen nog kinderen en vrouwen. Pragmatisch zakendoen! Ik begrijp het wel, zaken zijn zaken. Enfin, ook vandaag was het leuk. Eerst hadden we het over de zoons van Ibrahim/Abraham/Awraham. Volgens hem waren dat Isjmaïl en Davoud. Ik dacht eerder aan Jitschak, en na een tijdje zei hij ook dat het inderdaad Isjak was. Dit soort gesprekjes voerden we altijd lachend, allebei overduidelijk niet vroom. Hij begreep sowieso die vrome types niet. Halal dit en Haram dat. We waren het erover eens dat als je niet in aanraking wil komen met zaken die haram of treife zijn, dat je het hier dan wel heel erg zwaar moet hebben. Zelfs het weer is hier haram. Daarna werd het serieuzer. Van de week was een Almeerse jihad-strijder in het nieuws geweest, ene Khalid, die op de foto was gezet terwijl hij een pas van zijn romp gescheiden hoofd omhoog hield. Een vrouwelijke klant was in zijn winkel boos geworden en had gevraagd waarom “jullie niet naar school gaan in plaats van jezelf op te blazen”. Dus mijn kapper vroeg mij bezorgd of de terrorist in kwestie inderdaad een Koerd was! Terwijl hij met mijn dunner wordende haardos in de weer ging mocht ik op mijn telefoontje aan de google. Dat viel nog niet mee. Een piekerende kapper knipt vast met gemak per ongeluk je doorlopende wenkbrauw af. Ook heb ik steeds meer moeite de lettertjes op het schermpje van mijn HTC te lezen aangezien dat ding steeds ouder wordt. Mijn kapper vertelde ondertussen dat het eigenlijk nooit voorkwam dat een Koerd een aanslag pleegde omdat zij  liever hun land opbouwden in plaats van een zekere ideologie of hun vlees over de aarde te verspreiden. Ik vroeg hem of Khalid überhaupt een Koerdische naam was. Arabisch vond hij. Maar Koerdisch kon ook. Enfin, om een lang verhaal kort te maken: de misdadige betweter in kwestie kwam uit Irak. Dan kon hij dus nog steeds een Koerd zijn, want dat nebbisje gebied is verspreid over Irak, Iran, Syrië en Turkije. Uiteindelijk trokken we samen de conclusie: de man was géén Koerd.
Dat was wel een hele opluchting. Bleef de vraag waarom de vrouw uitgerekend hém er op had aangesproken. Hadden we meer gemeen dan onze verschuivende haargrens.


zondag 16 februari 2014

De vaders

De vaders van Talmoed Tora. Elke zondag, als hun joodse kroost les krijgt in geschiedenis, ivriet, nou ja, alles wat met jiddisjkait te maken heeft en soms ook niet, zitten de niet-joodse vaders te wachten in de hippe lounge-ruimte van de LJG Amsterdam. Geduldige vaders. Ze moeten het enkele uren volhouden he. De een leest een boek, de ander leert Russisch, vaak zitten ze ook gewoon gezellig te ouwehoeren. Ooit besloten ze, of misschien wás er geen keus, om hun kinderen in de traditie van de joodse moeders op te laten groeien. Hun eigen achtergrond wordt min of meer genegeerd, of het nu gaat om buitenissigheden als de waals-gereformeerde kerk, hugenoten, Vrij- of Oud-Katholicisme, wat dan ook…. De keus is gemaakt, hun kinderen zijn joods en dát zullen ze weten. Ze gaan mee naar sjoel, de geduldige vaders, ze maken de joodse groei mee van hun kroost tot aan de bar of bat mitswa maar zullen altijd relatieve buitenstaanders blijven. Ze vinden het niet erg. Soms zullen ze wat melancholisch terugdenken aan hun eigen opgroeien, hun eerste communie, de belijdenis, hun doop wellicht… Dingen waar hun joodse kids geen weet van hebben. Misschien zullen die er ooit naar vragen en dan zal de geduldige vader het geduldig uitleggen. De aandacht zal snel verslappen. Niet de wereld van de joodse kinderen, geen Bne Akiwa of Haboniem, maar Catechisatie, geen Netzer maar Geref. Herv. Jongelingsvereniging. Al de herinneringen en de soms ook eeuwenlange tradities worden opzij gezet voor de joodse opvoeding. Dat is niet niks, daar verdienen de vaders respect voor. Maar niemand staat er bij stil en dat is óók goed. Zij hebben er vrede mee en zijn er trots op. Ze zullen nooit helemaal deel uitmaken van de wereld van hun kinderen, geen talliet om hun gezin heenslaan met jom kippoer, geen beracha zeggen over de wijn op sjabbes…Maar ze gaan méé in alles wat er gebeurt, ze leren méé en zijn er trots op dat ze ‘ledor wador’ helpen bewerkstelligen. Daar doen ze een stapje voor opzij gedurende hun hele leven. Ik vind ze tof, deze vaders.



Geschreven voor Christenen voor Israël http://christenenvoorisrael.nl/2015/02/de-vaders/

zaterdag 15 februari 2014

De vaat

Mijn vrouw houdt van bio. Biologisch, biotex, bioindustrie, als het maar bio is. Dat kost een man een godsvermogen, al die rechtsdraaiende fietsbanden, bij maanlicht door ongestelde maannimfen geplukte zeeanemonewortelpuntjes, in een middeleeuwse grot gebakken ranonkelstruikkoekjes, rodondenderondrankdrek, onbespoten snorkelkontjes, en cetera en zo verder zo voort. Het biogebeuren strekt zich verder uit dan levensmiddelen alleen. Ook het huishouden moet eraan geloven. Zeep, met de mond geboetseerd door tandeloze 90-jarige peniskokers uit Toekatoekaland, op 30 graden gewassen tweedehands toiletpapier bestaande uit nog levende sponzen afkomstig uit het Babylonische reuzelmeer, haargel gemaakt van gemalen gefermenteerde mars-aubergines en zo verder, cetera usw.
Vandaag waren de nog door mij gekochte vaatwasblokjes op. Die kwamen uit een enorme grote kartonnen ton bij de Praxis en waren lekker goedkoop, lekker veel en hartstikke goed want de gaten vielen al in je huid als je er alleen maar naar wees. Welnu, die waren OPPERDEPOP. Het enige in huis aanwezige alternatief bestond uit ecover blokjes van waarschijnlijk een rijksdaalder per stuk, ooit om 12 uur des nachts met volle maan door mijn vrouw geoogst in een macriobiotisch biotopisch geweldloos communicerend aanrechtkastje gepaard gaand met het geklepper van een zwanger cimbaal.
Niets aan te doen. Ik deed het blokje als altijd huiverig in het daarvoor bestemde vakje en sloot den deur des afwasapparaats. Op een krukje ging ik erbij zitten en legde mijn hand tegen de knop van de vaatwasser om hem, zoals in de gebruiksaanwijzing van de bioblokjes stond, te bedanken voor het werk dat hij zo onbaatzuchtig verrichte voor mij en mijn gelukzalige gezin. Een uur lang. In vijf talen want anders was ik chauvinistisch.
Na dat uurtje bedankjes prevelen was de vaatgodin klaar en ik opende haar grote klep en constateerde dat de vaat NIET SCHOON was.

Toen ik bij zinnen kwam riep ik mijn vrouw, die uiteraard niet kwam. Toen ik het haar vriendelijk vroeg kwam ze gelijk kijken. Ik vond het fantastisch. Die dure troep van haar, bestaande uit gemalen schelpen en bioresonantiestralen DEED het dus NIET. Triomf, triomf, TRIOMF der ouderwetschen mannelijken MAN!! Ze keek me aan. Ze wees. Ik had het plasticje niet van het blokje gehaald. Hoofdschuddend slaakte ze een zucht en ging verder met breien. Hysterisch gillend ging ik met mijn hoofd tegen de vloer van de keuken bonken.


zondag 26 januari 2014

Een bijzondere dag

Vandaag was de dag van de Auschwitzherdenking in het Wertheimpark. Ik herinner me vorig jaar nog: ijzige kou, regen, kinderen van Talmoed Tora die een grafkrans in de handen gedrukt kregen om neer te leggen namens de Oud-Katholieke Vrouwenvereniging van Zwollerkerspel e.o. Dit jaar was ik er niet bij. Ik zette de twee oudste jeledjes af bij de Stopera, zij namen de honneurs waar. Een leerzame middag kregen ze ook, samen met de leeftijdsgenootjes van de NIHS. LJG- en NIHS-jeugd samen, een fantastisch toekomstgericht initiatief!

Ik moest echter terug naar sjoel, waar de overige drie kindjes joodse les hadden zoals altijd op zondag. Aangezien de Auschwitzherdenking tot 16 uur zou duren besloten we na de lessen de tijd de doden in het Joods Historisch Museum. Leuk voor de jongste drie, challe bakken in het kindermuseum. Wij daar dus heen, ik mocht rijden, mijn grootste hobby in Amsterdam.

Via een taxi-standplaats kwam ik warempel in de parkeergarage waar na 12 keer in- en uitsteken de Dacia geparkeerd was, zo ongeveer in een vak. Fijn! 70 cent per 10 minuten. Ze hebben bij de gemeente Amsterdam echt een hékel aan mensen. De verkeerde lift genomen omdat ik zo zeker wist dat dat de goeie was en uiteindelijk in het museum beland.

Knaapje vond het fantastisch. Leuk om al die dingen van thuis te herkennen, maar het aller-allerleukst was natuurlijk wel het feit dat hij overal op knopjes kon drukken, overal hoofdtelefoons, filmpjes (sommige sloeg ik maar even over) en rolstoeltrapliften. Uitermate fascinerend! Omhoog, omlaag, openklappen, hij wilde het allemaal weten. Is natuurlijk ook leuker dan het zoveelste verhaal over pesach of chanoeka. Ook was hij onder de indruk van een oud filmpje waar je mensen zag die midden in de nacht wakker werden omdat er “onraad” was en die zich dan gingen verstoppen via een heel klein deurtje achter een kast! Hoe het met die mensen is afgelopen vertel ik hem later wel.

Enfin, het was een fijne en goede dag ondanks de zweem van triestheid rondom de herdenking, ik zet een blij berichtje op facebook en we togen naar de Snoge om de oudste zoon en dochter op te halen die óók al zo’n bijzondere dag hadden gehad. Terug naar de auto, weeksalaris in de parkeermeter en hupsakee weer naar de polder. En toen zag ik de reactie van een vage kennis van vroeger op mijn vrolijke facebookposting. Ik zou mijn kinderen indoctrineren en leren dat ze Palestijnen moeten haten. Ook had ik ze vast nog nooit een moskee laten zien van binnen.

We hebben onze fijne zondag er niet door laten versjteren. Geen centje pijn om de vage kennis uit mijn vriendenlijst te schrappen. De kleinste kindjes hadden zelfgevlochten brood gebakken en op de sjofar geblazen, de oudste kinderen hadden de doden herdacht en nieuwe vrienden gemaakt. Dát was onze dag.

zaterdag 25 januari 2014

Fascinerend.

Ik ben natuurlijk ook maar een eenvoudige sloeber met een motorfietsje. Geen Harley Davidson Extra Long Short Penis Compensating Electra Super Glowing in the dark Mark XXVII van 60000 euro, maar een VEB Motorradwerk Zschopau Einzylinder-Telegabel-Zentralkastenrahmen 301 van 600 gulden. Geeft niks, hij kan niet harder dan 130 en dat is genoeg, anders val ik er toch maar af.
Enfin, als je motor rijdt ‘heb’ je iets met andere motorrijders. Een beetje zoals wanneer je opeens iemand ontmoet die Polak heet of die ook niet langer is dan een Amsterdammertje, je kent het wel. Zolang ik dan niet vertel dat ik op een tweetakt-brommer van 23 pk rijd is dat gevoel meestal wederzijds. Reeds.
Ik deed donderdagavond boodschappen in de plaatselijke supermarkt en zag daar drie hele grote kerels met leren benen en ruwborstelige kinnen huzarensalade kopen en pils, heel veel pils. Aangezien men doorgaans de AH niet betreedt per gemotoriseerde tweewieler hadden dit natuurlijk ook hardrockers of daklozen met een psychiatrische achtergrond kunnen zijn, echter, ik gokte erop dat dit net als ik heuse MOTORRIJDERS waren. Mijn aan helderziendheid grenzende voorgevoel werd ondersteund door het feit dat ze alle drie achterop hun lederen frak in grote letters de woorden Motorclub Almere hadden staan. Dus! Motorrijders! Net als ik!
Nu ben ik sociaal gezien nogal een kluizenaar. U zult mij nooit in een kroeg aantreffen, omringd door kornuiten, gezamenlijk het glas heffend op vorstin en vaderland. Dat zou ook wel raar zijn aangezien we geen vorstin maar een koning hebben tegenwoordig. Wel neem ik me vaak voor mijn sociale isolement te doorbreken door me bijvoorbeeld aan te melden bij een duivenmelkersverbond of lokale plantkundige volkstuinvereniging. Maar ik heb een schurftige hekel aan die vliegende stadsratten en ik zou mijn onkruidplantsoentje het liefst asfalteren met asbest, dus daar kómt het maar niet van. Motorrijden echter, dat is iets dat wellicht leuk is om te delen met andere knapen! Dus iets voor mij, zo'n club?
Vanachter mijn met gezinsvoedsel gevulde winkelwagentje sloeg ik het drietal nauwlettend gade. Misschien was er een minimum lengte ingesteld voor potentiële nieuwelingen. Of een minimum cilinderinhoud der motorfiets. Dan zou ik met 1.79 meter en 291 cc onder hoon en bekogeld met bierviltjes en roestige zijkleppen alras weder de kickstarter van mijn MZ ETZ 301 moeten bedienen. (Neen, ik heb geen startmotor, ik trap gewoon zoals het hoort elke keer mijn enkel aan piezels.) Aannames Roel, aannames! Daar heb je het regelmatig met je vrouw over gehad! Nooit meer doen! Dus sloot ik aan in de rij dezer reuzen, geurend naar motorolie en ledervet, bij kassa drie.
Net voordat ik ze ging aanspreken viel mijn oog, het deed gelukkig niet fysiek pijn, op één van de vele badges die de grootste van de drie op zijn jas had laten naaien door zijn moeder. Het was een zwarte ruitvorm met daarin de runentekens SS. Van de linker-S was het onderste pootje verwijderd, al dan niet tijdens een schermutseling met een rivaliserende motorclub. Maar, ontegenzeggelijk, dit was gewoon, doodgewoon, een kraagspiegel van de fijne jongens van de SS. U weet wel, die rabbijnen ophingen aan de synagogen van de Oekraïne, om maar een klein voorbeeld te noemen. Is natuurlijk superlang geleden. Weet niemand meer.
Mijn eerste gedachte was om maar gewoon naar de gezinsauto te lopen met mijn gezinskarretje vol gezinsvoedsel om terug te rijden naar mijn gezin. Goh, net motorrijders gezien met SS op hun jas. Niks van gezegd natuurlijk want je weet maar nooit wat er dan kan gebeuren. Want je weet maar nooit? Want je? Watje! Ik draaide pardoes mijn winkelwagentje, terug de Appie in, waar de drie boomlange zwartlederen ariërs bezig waren de Gall & Gall te ontdoen van hun gehele voorraad uiteraard blond gerstenat.
Mag ik jou iets vragen? (Wij motorrijders tutoyeren elkaar altijd.)  Waarom draag jij een SS-kraagspiegel op je deksels stoere vetlederen motorjack, Jack? Hij keek me aan alsof ik een leeg bierflesje was, dat ook nog gevuld was met sigarettenpeuken. En dat hij daar achter kwam toen hij een slok wilde nemen. Zoiets. Is heel geen SS-ding, is een logo van een Amerikaanse motorclub. Ik zeg, dat zal wel, maar het is OOK een SS-kraagspiegel, besef je dat wel? Niks van, er miste toch zeker een pootje aan de linker-S die dus geen S was?? Dat zie ik zei ik, maar het lijkt er nog steeds HEEL ERG op! Als ik iemand een dreun voor zijn hasses geef valt die anders ook HEEL ERG hard op de grond, luidde zijn antwoord.
Ah, okee. Nou, dank voor de info. ‘k Word toch maar niet lid.

Geschreven op verzoek van de Joodse Omroep http://www.joodseomroep.nl/fascinerend/

maandag 28 januari 2013

Auschwitzherdenking Amsterdam 2013


Het was een Bonte Stoet op weg naar het Wertheimpark. Niet zo zeer bont qua kleur, iedereen was bleek qua teint en grauw gekleed, maar bont vanwege de vele verschillende paraplu’s. 
Ze waren voorzien van teksten als School met den Bijbel, Kornmehls Dieetadviezen, vrolijke paraplu’s, saaie paraplu’s. Allemaal als elk jaar op weg om weer hetzelfde verhaal te horen. Het verhaal van de 102000 Nederlandse Joden, mooi rond getal, en de 215 Nederlandse Sinti en Roma, mooi compleet getal.
Het weer was heel toepasselijk gruwelijk. Waterkoud met pijpestelen. Mijn oudste had de mitswe een krans te dragen, zijn handen voelden aan als ijswater. Net zo nat en net zo koud. Ben benieuwd hoe ik die volgend jaar weer meekrijg. Tuurlijk hóren deze weersomstandigheden bij een Auschwitzherdenking. Vrolijker weer zou ongepast zijn. Zoals Jacques Grishaver het verwoordde, het regende tranen. Het was een treurige bijeenkomst. Verkleumde oudjes, verkleumde kindjes. Uiteraard was het ook als altijd een reünie. Hee hoe is het met jou, lang gelee, maar wie bent u in godsnaam. Dat soort gesprekken. De burgemeester van Amsterdam, net zo nat als wij, speechte zoals hij dat kan. Uit het hart, krachtige woorden, mooie beelden. Zoals elke Burgemeester dat al tientallen jaren doet. Hij verhaalde van de joodse bejaarden die hij bezoekt, dat die nét wat langer over hun klein- en achterkleinkinderen vertellen dan anderen. Dat ze nooit lang over het duister in hun verleden vertellen, maar juist vooruit kijken, trots dat ze in hun nageslacht de toekomst zien. De getallen werden genoemd, de zes miljoen Joden, de 500000 Roma en Sinti, het onbegrip hoe dit heeft kunnen gebeuren. Maar ook de Rechtvaardigen die met gevaar voor eigen leven anderen hielpen.
Ik stond naast een gereformeerde meneer. Hoe ik dat weet? Geen idee, we wisselden een paar beleefdheden. Hij had een Veluws accent. Ik prevelde jizkor mee met rabbijn Ten Brink, hij niet.
We stonden dicht op elkaar gepakt in de vriesblubber. De regen van mijn paraplu lekte in zijn nek, de regen van die van hem liep over mijn wangen. Je weet wel, als je vlak onder zo’n punt van de plu staat.
Het was fijn dat het een Bonte Stoet was. Een gemêleerd gezelschap zoals de chiquere mensen zeggen. We waren samen en we stonden samen stil. In de blubber. En we dachten aan hen die zinloos stierven door toedoen van hen die een hartgrondige haat koesterden jegens de veelkleurigheid, jegens de gemêleerdheid, jegens een Bonte Stoet.

zaterdag 14 januari 2012

Sorry!

In januari verschijnt het boek "Judging the Netherlands" van Dr. Manfred Gerstenfeld. Hierin verhaalt hij van de mythe dat "de" Nederlanders zich massaal verzetten tegen vervolging en terreur en de onderduikadressen niet aan te slepen waren. Onbaatzuchtige helden, schouder aan schouder voor het joodse deel der natie.
In het boek tref je een moreel appel aan: het zou de regering sieren om alsnog excuses aan te bieden voor het vermeende lakse gedrag van volk en vaderlandse bestuurders.
Ook Geert Wilders, u kent hem wellicht, heeft dit boek gelezen. Je kunt er niet om heen; hij draagt Jodenheid en Israel een warm hart toe.
Nu heeft Ome Geert de Jodenvriend onzen Mark in een lastig parket gebracht door in de Tweede Kamer de lijn van het boek te volgen en op te roepen tot het daadwerkelijke uitspreken van die excuses.
Pardon? Mark verslikte zich pardoes in zijn jodekoek.
Ja Mark, excuses! Voor het feit dat het de regering in ballingschap geen bal interesseerde dat 100.000 al dan niet Nederlandse joden werden afgevoerd, de bekende enkele reis, stopt niet op tussengelegen stations.
Excuses voor het wegkijken, door Ronny Naftaniel betiteld als soms "erger dan dader zijn".
Geert is natuurlijk geen vriend van het koningshuis. "De majesteit" is zijn ogen een met haarlak bespoten multikulti-adorerende GroenLinksStemmer en hij zint op wraak.
Wellicht speelt dat ook mee. De oma van Bea zat als eerste in de roeiboot toen de mof op de poorten van Lobith roffelde. Snel het vege lijf gered en het volk achtergelaten.
Een groot probleem voor Mark! Zegt hij straks: "Sorry dat we jullie niet belangrijk genoeg vonden.." Dan zegt hij in feite dat Willemien inderdaad de jaren in ballingschap liever doorbracht met haar hobby’s tekenen en schilderen dan dat ze zich druk maakte om wat er voor vreselijks gebeurde met Neêrlands Joden.
Is dat feitelijk niet zo? Ze weidde zich inderdaad vol vuur aan haar kwasten. Ze had toch tijd zat. Terwijl zij het ene landschapje na het andere tot leven wekte met penseel en houtskool, doodden geweren de joden en verkoolden ze tot as. Heerlijk zo’n kunstzinnige vakantie samen met de eveneens schilderende Schwiegersohn.
Mark is een graag geziene gast bij de familie Von Amsberg-Van Oranje. Als het nu alleen gekke Geert was die opriep tot excuses, maar neen, Gerrit Zalm (ja die van de DSB-Bank) en Els Borst (integer minister) gingen hem juist voor, getuige het boek. Ik kan niet wachten. Er zal een antwoord moeten komen!
Wellicht recht Rutte de rug en spreekt hij zich uit. Dan maar een tijdje geen jodekoek in Paleis Noordeinde.



http://www.joodseomroep.nl/:artikel/sorry.html

donderdag 9 juni 2011

Joden niet gewenscht

Heftige titel nietwaar? Staat in geen verhouding tot hetgeen me laatst gebeurde en wat ik hieronder zal trachten te verwoorden. Toch kwam dit als Kop in mijn hoofd op, vergeeft u mij svp.

Niet alleen normale mensen zijn actief op internet. Ook de joodse Nederlander laat zijn sporen na op het wereldwijde web. Mensen zijn druk op Hyves, op Twitter, maar ook op LinkedIn. Facebook is zelfs een joods dorp. Heel gezellig, heel zakelijk, deels persoonlijk, deels allemaal flauwekul.

Kijk ik naar mijn eigen activiteiten dan ben ik op Twitter bijvoorbeeld druk met tweeten over onzinnige dingen als mezelf en hele belangrijke dingen als mijn collectie draaischijftelefoons, mijn pogingen door de katten aangevreten muizen te redden en mijn gezin.
Hyves heb ik niet meer, dat werd zelfs mij (jaja onvoorstelbaar ja) te infantiel, ik houd me nu ledig op Facebook en dan is er nog voor mijn kleine 500 intieme zakelijke contacten die me door en door kennen en van me houden zoals ik ben: LinkedIn.

LinkedIn dus. Een paar week geleden spitte ik mijn e-mailbestand eens door en kwam daar een oude kennis tegen, laten we hem voor de vorm Abe van ‘t Schip noemen. “Abe” heeft het goed gedaan, werkt al jaren in een ver warm land waar ze gekke kriebelige lettertjes van rechts naar links opschrijven, het gaat hem voor de wind en hij verdient centjes als majim. Hetgeen hem gegund is uiteraard.
Dus ik Abe uitgenodigd om met me te “connecten” via LinkedIn.
Helaas pindakaas, dat leek hem geen goed idee. Hij had namelijk gezien in mijn CV, dat ik werk voor het NIW en vond (ik citeer): “Klinkt misschien een beetje lullig, (..) Het woord jewish sluit hier iets teveel deuren, (..) volgens mij is het onverstandig om jou toe te voegen. (..) Tot zover de statement dat ik niet meedoe aan discriminatie... ”

Dit voelde heel apart. Je vindt iemand een goeie gozer, je hebt al jaren een beetje contact met elkaar via Facebook, hij heeft nog bij je broer in de klas gezeten en dan dit. Een beetje (ik creëer, chargeer): “Ik wil niet met jou spelen want mijn nieuwe vriendjes vinden jou stom. Dus moet ik jou ook stom vinden en mag je niet in mijn LinkedIn Vriendenboekje want anders vinden ze mij misschien ook een beetje stom en willen ze geen knikkers meer aan me geven.”

Werkelijk. Ik werd niet eens boos. Zat een paar dagen te piekeren over een gevat antwoord, maar zelfs ik, nooit verlegen om een kwinkslag, viel gewoon stil.
Ik heb het op Twitter geplempt, registreerde daar de verontwaardiging bij velen (altijd fijn als anderen wél plaatsvervangend boos kunnen worden) en liet het daar zo’n beetje bij. Ik verwijderde hem nog wel even als Facebookvriendje, HAHA, dat zal hem leren! (Of meer geld opleveren.).

Terugkomend op de vreselijke kop boven dit stukje. Totaal buiten proporties. Maar toch:


Een volk dat voor zijn antisemitische broodheren zwicht, zal meer dan faceboekvriend en geld verliezen... Dan dooft het licht…..



Gepubliceerd op de site van de Joodse Omroep, juni 2011

zaterdag 23 april 2011

De Verloren Zoon

Is even schrikken hè, die titel! U bent natuurlijk helemaal in verwarring gebracht en bang dat u wellicht op de site van de Missiepost Zuid Sulawesi bent beland. Welnu, vreest niet, dit is niet het geval. Kijkt u maar even rustig een decimeter boven deze tekst, daar staat keurig iets van www joodseomroepenzovoort. Heb ik u toch maar alvast een opgelucht gevoel gegeven, graag gedaan.

Over opgelucht gesproken, dat waren mijn echtgenote @i_mama (zo heet ze niet echt hoor, zou een beetje mal zijn, dit is haar twitter-alias) en ondergetekende afgelopen derde pesachdag. Onze één-na-jongste had de kuierlatten genomen. Was met de horizon vertrokken. Er tussenuit geknepen. Ook al heb je maar liefst vijf stuks kinderen, je hecht je toch aan allemaal en wilt er eigenlijk niet ééntje missen. Had u niet gedacht zeker! Je komt er achter als er één foetsie is.

Het eerste kwartier zoek je nog vrolijk, maar alras slaat de paniek toe. De hele buurt gaat zoeken, richting noord, west en zuid. Je belt de politie en vertelt van zijn oranje sokken, zijn oranje korte broek en zijn snoopy-shirt, zijn spraakproblemen, zijn lethal voedselallergie en de paniek neemt langzaam bezit van je. Het idee dat iemand hem vindt en als troost een stukje chocola zou geven… Zouden we hem alsnog kwijt kunnen zijn. Je merkt dat je kunt bidden, alhoewel je niet echt religieus bent:
“O G’d, laat het niet zó aflopen!”
Na alle ziekenhuisbezoeken, therapeuten, tests, tranen, angsten.
Juist dit ondervoede ventje van bijna 4 waren we kwijt, met zijn lijfje van een kind van 2, zijn telbare ribbetjes.

De Uittocht van Pesach was even de uittocht van ons knulletje. De politiehelicopter boven ons hofje kneep mijn strot dicht, de dreumes in de buggy bleef vrolijk.
In de AmberAlert-SMS stond niets over zijn allergie, dus ik belde nog maar eens de meldkamer van de politie. O, maar hij is terecht hoor! Hij heeft alleen wél roosvicee gehad, kan dat kwaad? Binnen vijf minuten werd er aangebeld, een agente overhandigde ons ventje aan mijn vrouw, ik kreeg de loopauto waarmee hij 2 kilometer ver was gekomen. Hij was op zoek gegaan naar het buurmeisje dat met haar moeder boodschappen was gaan doen. Een hele lieve mevrouw had hem huilend bij haar in de straat gezien en zich over hem ontfermd, zijn snot weggepoetst en hem wat te drinken gegeven. Het wonderlijke: ze had hem laten kiezen wat hij wilde, niets wetend van zijn allergie. Pak maar wat je mama je ook altijd geeft. Ze bood hem iets aan met melk erin: niet die!, had hij geroepen. Het werd Roosvicee.

Nood leert bidden zegt men en het is nog waar ook. Be’ezrat Hasjeem hebben wij Etan weer terug.

De volgende keer weer zoals het hoort, g’d-willing, een kolderiek stuk van mijn hand, zoals u gewend bent!



 Gepubliceerd op de site van de Joodse Omroep, juli 2011

zondag 6 februari 2011

Een 14-jarige op zoek naar liefde...

Toen ik een jaar of veertien was, of eigenlijk, toen ik exact veertien was, vond ik het tijd dat ik een vriendinnetje kreeg. Voor een vadsig joch met puisten een hele opgave. Aangezien ik een nogal negatief zelfbeeld had leek het me verstandig om onderaan te beginnen. Ik dus op zoek naar de stomste mokkels van de Havo. De keus was best groot, maar ik liet mijn oog vallen op een halfblinde my little pony genaamd Iris. Waarschijnlijk hadden haar ouders haar die naam uit puur sadisme gegeven. Ze was nl al sinds haar geboorte gezegend met slechts één functionerend oog. Iris dus. Net als ik fietste zij altijd in een colonne van de middelbare school in de middelgrote buurgemeente naar ons kleine boerendorp, waar iedereen dezelfde achternaam en oogopslag had. Gelukkig was ik er niet geboren, dus ze zou wel blij zijn dat haar genenpakket eindelijk eens een opknapbeurt zou kúnnen krijgen. Kúnnen, want ik moest haar eerst versieren uiteraard. Welnu, mijn poging ging als volgt: van achter uit de stoet werkte ik mij, al fietsend op mijn 24 inch Kettler AluRad naar voren in de rij, waar zij gezellig naast een zusje/nichtje/buurmeisje fietste.
Met de moed der wanhoop drukte ik mijn fiets tussen de hinnikende shetlanders en begon een dolleuke conversatie. Dat was mijn plan althans, ik had ook al een openingszin bedacht:
Moi! Zo, dus jij bent Iris! Leuke ooglap! Zelf gemaakt? Of was het een erfstuk? Zeker veel piraten in de familie? Wilde ik lollig uit de hoek komen. Vergeet het maar, ik stotterde als een gek dus dat werd Momomomomomomoi Du-du-du-dusss.. gatverdakkes! Dat ging hem niet worden. Rustig ademhalen. Nog een poging. Hahahahaha! Nee, dat was niet om te lachen, ik wilde alleen HALLO zeggen. Hahahahaha-l-lo. Proestend van de lach duwde Iris me met haar vileine zusje/nichtje in de berm, zodat mijn AluRad in de sloot en ik met mijn bakkes in het prikkeldraad kwam te hangen. En toen nog een hele stoet gillende schoolgenoten, die leuke dingen riepen. Stotterbek, ga je lekker! Heb je een zwemdiploma, zitzak! Raak je niet lek, puisterige skippybal! Enfin, geknakt, maar niet verslagen sleurde ik mijn Rad naar huis, met kletsnatte broek en boeken 2 uur later thuis.
Mijn volgende poging was op de locale kermis. Het meisje in kwestie heette Wendy, misschien heet ze nog wel zo. Ik had haar daar al een paar dagen gezien met haar vriendinnen. Uiteraard werd ze gemeden door de andere jongens omdat eh.. ze bloedstollend mooi was denk ik. Of vanwege haar pokdalige gezicht, een soort krentenbol met 1000 levervlekken. Of sproeten, niemand die het wist. Na een paar uur op een afstand te hebben gestaard en de verzekering te hebben gekregen van mijn spaarzame vrienden dat zij ook naar mij keek, stapte ik er op af. Ik moet nog even vertellen dat de hoofdattractie op de kermis bestond uit een soort draaiend ding met bakjes waar de slachtoffers in zaten. Het ding heette Hully Gully. Je werd daarin gecentrifugeerd tot je in doodsangst enthousiast ging gillen van plezier. Dat ging ik haar dus vragen: wil je met me in de Hully Gully? W-w-w-w-w-w-w-w-wil je met mmme i-in de Hu-Hully Gully? Wat zeg je? Vroeg ze me. Dus ik wederom met al mijn kracht: W-w-w-w-w-w-w-w-wil je met mmme i-in de Hu-Hully Gully??? Nog een keer mocht ik het herhalen, terwijl de tranen in mijn ogen sprongen. Ze lag en lachte helemaal dubbel. Ja, ik verstond je wel hoor! Als ik met je in de Hully Gully ga, dan moet ik kotsen! Jankend rende ik weg. Vanuit mijn ooghoek zag ik mijn goede vrienden, mijn makkers, kronkelend van de lach over de grond rollen. Pas later hoorde ik dat ze wel met me in de Hully Gully had gewild, als ze niet misselijk was geweest van de  suikerspin.  Niet lang daarna ben ik verhuisd naar een andere vlek, uitgezwaaid door de voltallige dorpsgemeenschap.

zaterdag 29 januari 2011

Prank call

U kunt zich voorstellen dat ik niet meer zo vaak op feestjes kom en dat ik nog maar uiterst zelden een uitnodiging krijg. Meestal is mijn eega de geïnviteerde. Ik zie u begrijpend knikken en inderdaad, het heeft deels ook wel te maken met mijn karakter. Edoch, er speelt meer.

Van vroeger kan ik me herinneren dat een favoriete vraag die gesteld werd boven de rosé luidde: 'Zeg, wat doe jij eigenlijk?' Zo’n vraag wordt dan vaak trots beantwoord: 'Ik ben vice-interim-management-consultant-directors-cut reeds.' 'Ach, werkelijk? Ik ben uppercut-mediageniek-pie-aar-advisery-märklintreintje.' 'Wow, klinkt goed! En jij, Abramans?' Zeg maar Roel hoor, ik ben Accountmanager en heb ook een visitekaartje, kijk maar! 'Ach, werkelijk? Account MANAGER, dat klinkt goed Ibrahims! Hoeveel dozijnen discipelen manadzj je? Een heel cohort zeker?'

Hier gaat het altijd mis, ik ga dan namelijk eerlijk vertellen wat ik doe. Weet ook niet waarom ik dat nog steeds niet nalaat, het kost je je vrienden, je familie, je aanzien, je eigenwaarde, je haarkleur, enkele centimeters van je mannelijkheid enzovoort. Ik zeg dan: ach jongen, het klinkt allemaal wel heel mooi, accountmanager, maar éigenlijk (fout) ben ik gewoon (fout) advertentieverkoper! Ja! Die moeten er ook zijn hè! Jah! Dus dus dus. Mijn gesprekspartners zijn inmiddels al schuddebuikend van me afgerold en daar sta je dan alleen bij de bar. En zo lieve mensen, ontstaat dus alcoholisme. Doordat goede mensen van eenvoudige komaf, die misschien wat slim overkomen, eerlijk vertellen dat ze een baan hebben, weliswaar een baan die voor de maatschappij op een lagere rang staat dan prostituee of autoverkoper, om maar te zwijgen van assurantieadviseur, maar wel eentje waardoor ze voor hun gezin en hun 12 kinderen kunnen zorgen.

Zucht. Tóch is het natuurlijk heel belangrijk werk, lispel ik tegen mijn zoveelste glas. Zo besloot ik laatst onder werktijd eens te gaan plassen. Ja mensen, zo ben ik. Teruggekeerd in mijn cubicle merkte ik dat ik een gemiste oproep had op mijn Ericofoon! En dan komt het commerciële mannetje in me boven hè! Laat de gemiste oproep geen gemiste kans zijn! Het zou natuurlijk ook een dolgelukkige vader kunnen zijn, die een geboorteadvertentie wilde opgeven en nu hevig teleurgesteld aan sterilisatie denkt, enkel omdat ik niet opnam, de euvele moed had om te gaan plassen!
Of een treurende weduwnaar, die snakt naar mijn troostende woorden na het heengaan van zijn teerbeminde. Ik weet dan altijd de juiste snaar te raken, joh, kop op, komt wel weer goed! Of: rot voor u zeg! Zal ik de rouwadvertentie dan maar éxtra groot maken? Dus ik terugbellen.

'Ja? Wie dar?' Goedemiddag mevrouw u spreekt met Roel Abraham van het NIW, ik zag dat u had gebeld? 'Gebald? Wat gebald? Ik niet gebald?' Nou, ik zag toch duidelijk uw numm… 'wachte wachte'. 'Ja? Papa ben jij dat?' Nou neen, ik ontken alles, ik ben Roel Abraham van het... 'Papa! Jij maakt grapjes! Hihihi!' Neen, heus waar niet hoor ik belde gewoon terug en... 'Hahahha papa toch! Gekke pappa! Hee, pappa komt binnen?' Graai, voel ik aan mijn oor. 'Ja hallo! Wie ben jai? Warrom bal jai main dogter??' Goedemiddag meneer Pappa, ik ben Roel Abraham van het Joodse weekblad NIW en ik... 'Wat jods wikblad, wat jods? Ik niet Jods wikblad u verkird nummer!' Nee, ja, ik ben van het jods ik bedoel Joodse weekblad NIW en ik... 'Jai nit mier bellen main dogter!!!' Tuuttuuttuut.

Dus. Zucht. Verrek: een voicemailbericht van dat nummer. Even luisteren dan maar.

'Hi hi hi! Stinkie!'

Geschreven voor de Joodse Omroep.

vrijdag 28 januari 2011

A slight stutter

Wat een lot kan je treffen als je als puber stottert. Ik was zo’n puber. Klein, jongste van de klas, verdrinkend tussen de borsten van de veel grotere meiden (in my dreams) en ik stotterde dus.
Toen ik 10 was mocht ik al op assertiviteitscursus, zo heette een stottercursus in de jaren ‘80. Geweldig jôh! Hele invoelende man was dat, hij vond het heerlijk om mij heel lang in de buurt van mijn middenrif vast te houden terwijl hij achter me stond en me lekker therapeutisch tegen zich aan drukte. Denk om je aaa-dem-haaling. Dus. Dat hielp geen fluit. Die van hem misschien.
Enfin zo stuiterde ik al stotterend de Middelbare School in. Was best te doen an sich, ware het niet dat er ook spreekbeurten gegeven dienen te worden op de HBS.
In 4VWO was het ook zo ver. Een spreekbeurt bij Engels. Wat doe je dan als stoere stotteraar? Je kiest een onderwerp waar je veel van weet en leert een compleet verhaal uit je hoofd.
Aangezien één van mijn coole hobby’s het collecten van stamps was, hield ik hier mijn verhaal maar over. Ja ik weet het, vrouwen glijden van hun barkruk als ik vertel over mijn postzegeltjes, mijn suikerzakjes, mijn roomboterwikkels, mijn sigarenkistjes, mijn wekkers, mijn antieke telefoons.
Bij Engels speelde ik dus op safe en koos voor stamps. What’s the difference between East- and Westgerman stamps. Oh my God! So exciting! Helaas kon ik de Engelse afkorting voor Oost-Duitsland, GDR, niet uitspreken. Dzj-Dzj-Dzj-Dzjie Die Ahr klinkt weliswaar heel toepasselijk als een Trabant die niet wil starten maar ik koos toch maar gewoon voor DDR, Die Die Ahr. Terwijl ik mijn verhaaltje afdraaide en er postzegels rondgingen in de klas, voelde ik het in de verte al aankomen.
Ik zou gaan stotteren en ik wist ook al precies waar. In mijn hoofd zag ik mijn neergepende, verinnerlijkte opstelsel voor me en ik telde de regels tot dat ene woord waarover ik ongenadig op mijn bek zou gaan. Achter in de klas zaten de bloeddorstige stoere meiden met de grote borsten op mijn bloed te azen. Het was alsof ze wisten wat ging komen, met ingehouden adem en boosaardige blikken wachtten ze op mijn teloorgang.
En het geschiedde. Bij het woord in kwestie sloeg mijn middenrif op slot, mijn keel werd dichtgelast, mijn ogen (die zelfs zweetten) puilden uit mijn hoofd. De enige klank die uit me kwam, geen idee uit welke opening, klonk simpelweg als nk. Nk dus. Nk. Yeah. De meiden achterin had a ball. Ik sloeg na twee minuten sterven het woord maar over en kwam al duizelend aan mijn eind.
Ik was klaar met mijn voordracht en er viel een pijnlijke stilte. De leraar (een kopie van Kahlil Gibran) wiens sokken te drogen hingen over de verwarming, schraapte zijn keel en zei: “Errr… you’ve got a slight stutter, don’t you?”
Opgelucht en met tranen in de ogen zei ik: J-Ja.
Het werd een 7+.

zaterdag 11 december 2010

Chanoeka

Buiten valt de zure sneeuw in bakken uit de hemel. Vrolijke mensen, sleetjerijdende kinderkens, blijdschap. Zich vanwege de koude voortplantende mensen, lichtjes overal, kerstsfeer. Een gezond mens wordt er misselijk van, maar binnen heb je vijf bloedjes van kinderen die hun hardvochtige vader smekend aankijken. Tranen in de ogen, de handjes gristelijk gevouwen proberen ze je te vermurwen.
Ach toe vader, waarom gunt u ons geen kerstboom? Alle kindjes op school-klarinetles-zwemles-jeugdgevangenis hebben een kerstboom. Waarom mogen wij geen kerstboom vader? Omdat we joods zijn? Dat is racistisch! Voor je het weet wikkelen je bloedeigen kinderen je in engelenhaar en verdwijn je in de kruipruimte.

Dat de maffe goi zo nodig een stervende struik volgehangen met zijn ballen op het Ikea-kleedje wil zetten, betekent toch niet dat wij, het weldenkende, wellicht wat emotionelere, deel der natie óók een allergie-opwekkende voormalige bosbewoner vol ongedierte, doodgespoten eekhoorns en verhongerde babyvogels moeten neerpoten voor de rijkelijk gevulde boekenkast? Come on!
Daaronder dan stapels cadeautjes, de elektronica reeds defect vóór het hebberige uitpakken, waarbij men elkaars ogen uitklauwt om op die manier de begerige blikken te doven. Misselijk van de kerstwijn en de in zeehondenreuzel gebakken kerstkalkoen van de kiloknaller. Wat een pret, wat een diepgang.

Neen, dan wij. Respectvol steken we het eerste kaarsje aan, terugdenkend aan die sjloebers die in de vrieskou een half gesloopte Tempel terugvonden, nadat ze járen mijmerend aan de rivieren van Babylon hadden gekampeerd, onderwijl oude nummers van Boney M zingend. In plaats van een advocatenkantoor te stichten of een juwelierszaak te openen gingen we op zoek naar een kruikje olie, om onze religieuze plícht te vervullen. En voorwaar, de kandelaar brandde 8 hele dagen lang, zodat onze vrouwen tijd genoeg hadden om met de knoflookpers nieuwe olie te produceren, onder toezicht uiteraard van een rijke schare zwartbebaarde rabbijnen…. 
Terwijl wij –bonkige mannen met geweldige beenspieren van het over de aardbol zwerven- de overgebleven bezetters vakkundig naar hun walhalla, hemel, paradijs of knetterend vuur hielpen…. Een diep doorvoeld religieus gevoel maakt zich dan van je meester, terwijl je kijkt naar de glimmende gezichtjes van de jelediem, die je ooit kleinkinderen gaan schenken…. Ledor wador.

Acht dagen duurt ons feest, elke dag steken we een extra kaarsje aan. Als je weet dat een chanoekia 8 armen heeft (+1, de sjammasj waarmee je de kaarsen aansteekt) dan heb je dus elk jaar 44 kaarsjes nodig. Ik heb 5 kinderen met elk hun eigen, tijdens Joodse les inelkaar gefrotte “chanoekia” (8 bloempotjes op een plank) dus dan heb ik die week 5 x 44 = 220 kaarsen nodig. Plus drie keer de brandweer. Elke dag een cadeautje houdt in 5 x 8 = 40 kostbaarheden. Plus het aanvragen van mijn faillissement.

Chag chanoeka sameach!


woensdag 3 november 2010

Erev Sjabbat

Als je zoals ik maar liefst 5 (VIJF) kinderen hebt kom je natuurlijk altijd tijd tekort om ze aandacht te geven. Een goeie oplossing kan dan zijn om op vrijdagavond 1 exemplaar mee te nemen naar sjoel om op die manier de gang naar het RIAGG in de toekomst te voorkomen.
Vanavond was Joram, kind numero 3, aan de beurt. Hij is de middelste en wordt dus platgewalst tussen de 2 oudste en de 2 jongste.
Gezellig dus samen in de auto naar sjoel. In de auto? JA, in de auto. Lopen is voor ons een Hollandse Brug te ver. Hij mocht op de booster naast me en kletste gezellig over school. Hij stelde me ook vragen: hoeveel lantaarnpalen staan er naast de snelweg, wat betekent dat getal op dat paaltje, maken joodse altijd oorlog, dat soort vragen. Pardon? “Maken joodse altijd oorlog”?? Dat was pas een echt interessante vraag. Hoe kom je zo bij die vraag, Joram? Nou dat zegt Tegenwoordig Hippe Naam uit groep 5 altijd en hij noemde er zo nóg 2, kinderen uit gezinnen waarvan de moeders rond een bepaald religieus feest altijd op hun paasbest staan te pronken op het schoolplein. M’n haren gingen overeind staan. Als vader doe je je uiterste best om je kinderen zo multicultureelvriendelijk op te voeden, bladiebla, vooral niet teveel over dé oorlog en oorlogen in het algemeen babbelen, maar gewoon gezellig. Kennelijk denken de ouders  daar heel anders over. Uiteraard wilde ik mijn ontvlammende woede niet gelijk op mijn kind over brengen, dus ik vroeg simpelweg wat hij dan als antwoord had voor Hippe c.s.. Nou gewoon, dat hij dat misschien vindt maar dat dat helemaal niet waar is. Toppertje! En dan? Dan wordt-ie boos! Inmiddels had ik zin om de ouders van ’t ventje in quaestie verpakt in 20 kleine doosjes op te sturen naar een ver warm land, maar, beste mensen, dat kan natuurlijk niet heh. Ik moet de opvoeding van zulke kinderen natuurlijk ook in dier eigen culturele context zien en er vooral niet overheen walsen met mijn eigen zogenaamde superieure culturele stoomwals. Laat ik het bij mezelf houden, wat doet het mij als ouder om te ervaren dat mijn kind anno 2010 nog stééds op onvriendelijke wijze wordt aangesproken op zijn afkomst, op zijn ‘zijn’. Zucht. Uiteraard wil ik niet alle christenen de Zwarte Piet in de schoenen schuiven. Maar ja. Mevr. Abraham, de ijzersterke  moeder van Joram, kreeg als zesjarige van haar Zwolse buurkindjes in de zandbak ook al termen als Juden Raus! toegediend. Bovendien hadden we natuurlijk ook hun god vermoord. Haar vader z.l. was Hans Diamant, het huis werd heel toepasselijk met huisvuil bekogeld, allemaal door fijne gggristelijke kindekes.
Welnu, ik word daar heel boos van, zoals ik reeds schetste, maar ook best verdrietig. Niet dat de kosjere tranen over mijn spekkige wangen lopen, maar toch even een knoop in de buik. Een smurf als Joram, net zes jaar, krijgt er nu al van langs, om niks. Dat is diep treurig. Nog treuriger is het dat ik vrees dat dit gewoon niet zal veranderen. Dit geldt natuurlijk niet alleen voor joodse kindjes. Mijn aangetrouwde islamitische neef wordt óók op een negatieve manier aangesproken op het gedrag van sommige van zijn geloofsgenoten. Alleen is hij een volwassen kerel met wie je prima een pilsje kunt nuttigen. Mijn Jorammie is ZES en wordt opgezadeld met de beroerde opvoedresultaten van hen die het prettig vinden hun broedsels te overladen met afgunst, domheid en leugens. Is er dan geen hoop? Tuurlijk wel. Joram is vergevingsgezind, kindjes van álle gezindten spelen regelmatig bij ons en dat gaat áltijd goed. Vorige winter nog kreeg ík het verwijt van een móslimmoeder dat we niet genoeg geïntegreerd waren omdat we geen kerstkaarten sturen. Haha. Dan moet ik toch wel even heel luid glimlachen, gelukkig!


woensdag 27 oktober 2010

VoPo

Zoals de meesten van jullie niet weten verplaats ik mij doorgaans op een aftandse VOPO-BMW. Met zwaailichten en sirenes, want anders zou het saai zijn.
Is dat verantwoord, volwassen, verstandig? Driewerf Neen natuurlijk, maar vraagt u gerust aan uw locale psycholoog hoe het zit.

Lol heb ik op dat ding. Het komt geregeld voor dat ik doelloos rondrijd, op zoek naar verdwaalde Duitschers, om deze lieve mensen te tracteren op een stukje ouderwetsche gezelligheid en een heerlijke klaplong. Staan ze heel onduits zélf te tanken, kom ik voorbij, loopt de urine of benzine ze in de schoenen. Maar dan gemütlich unterwegs. Een goede Duitser zit stoer achter het stuur, de blonde manen gekamd, de blauwzuurkleurige ogen gericht op den einder, tot ver voorbij de staatsgrenzen van hun onmetelijke rijk. Dus wanneer ze ontspannen rijden in hun bovenmaatse Audi, boordje los, sigaartje of braadworst tussen de lipjes geklemd, kom ik langszij. Want zó in je PKW zitten, dat kan natuurlijk niet. Uiteraard moet dan wel hun raampje half open staan, anders gaat het effect verloren, maar ik blaf dan via mijn luidsprekersysteem op vol vermogen: ACHTUNG, VOLKSPOLIZEI, BENEHMEN SIE SICH!. Wat het betekent weet ik niet, maar het effect is bijzonder. Meestentijds laten ze hun gloeiende peuk of smeulende worst vanuit hun lippen in hun schoot vallen, met als gevolg dat de Audi hatsekidee de vangrail in zwalkt.

Graag wil ik hier even pauzeren om mede te delen dat hierbij uiteraard nooit slachtoffers vallen. De schade aan de vangrail is al erg genoeg en daar moet het bij blijven. Ik ga al gebukt onder voldoende schuldgevoel.

Ook komt het voor dat ze in de houding willen springen, hetgeen niet meevalt wanneer de bierbuik als een rollade is ingesnoerd door den Gürtel.
Enfin, lachen gieren brullen, en wij hebben weer plek op het strand van de zomer.

Het is wél jammer dat ik bij onze Hermandad maar op weinig begrip mag rekenen.
24 keer reeds (vierentwintig) ben ik van de weg gehaald en ondervraagd alsof ik iets doe wat niet mag. Veelal is de eerste vraag die ze me stellen: Bent u collega? Het vergt uiterste zelfbeheersing om ze niet te wijzen op minimaal het missende lidwoord “een”. Of bedoelen ze “de”? Kan ook, dat ze hopen dat ik dé collega ben, waarop ze al 5000 jaar wachten, de politiemessias?

Dan nog, ze zien er ook nog eens ab-so-luut niet uit als advertèntieverkopers. Advertentieverkopers dóen alleen maar of ze een pistool op zak hebben. Deze heren hebben een echte dus hoe zouden we collega’s kunnen zijn?? Schnabbelen ze bij voor het Rijkspolitie Magazine? Enfin, een vraag waarop het antwoord zo obvious is, wat moet ik daarmee?

Nadat de agent me dus heeft overtuigd dat we géén collega’s zijn komen altijd de dreigementen. Ik gá de Officier van Justitie bellen! Ik gá procesverbaal opmaken!
Ik gá je vanavond bellen voor een date in de gaybar!

Nooit worden de dreigementen uitgevoerd, ik vraag hoe ik weer terug de snelweg opkom en we gaan weer ons weegs.
Er is altijd wel een Poolse vrachtwagenchauffeur om 50 Mark van af te troggelen.




zondag 25 april 2010

Onklaar.

Op een dag ben je zover. Genoeg is genoeg, het is over en uit. Stoppen. Punt erachter. Uiteraard hik je er een beetje tegenaan. Alhoewel, een beetje, best wel een boel hik eigenlijk. Zeg maar dat je er tegenop ziet. Er tegenop zien… Je voelt een barrière, een soort drempel waar je over moet. Het is toch ook niet niks, zullen we maar zeggen. Zeker in mijn geval. Ok, dat hoor je van iedereen, maar toch. Zweethanden krijg je ervan. Piekeren. Nachtmerries is weer wat overdreven, maar zou best mogen. Knoop in mijn buik. Toch doe je het. De auto vraagt het van je, die wil je graag houden. Alle stoelen en banken zijn bezet dus daar zit je dan in de wachtkamer van de urolololoog. Pompom. Er hangt een mieterse sfeer, je bent niet de enige die vrijdagochtend. Eerst een gesprekje met de meneer met het mes en dan des middags weerom komen. Je wordt niet thuisgebracht, dat niet. De wachtkamer. Tijd gaat langzaam. Alle andere mannen zijn bleek en zien er verward uit. Je probeert een gezellig babbeltje, ook om niet naar hun triomfantelijke echtgenotes te hoeven kijken. De echtgenotes, die écht genieten. Ze bemoeien zich er gelijk mee: eindelijk is hij eens aan de beurt, het heeft lang genoeg geduurd, ik ben die pil méér dan zat. En zo. Hij mag nu in de beugels voor de verandering. Fijn fijn fijn. Waarom doe jij het? We wilden geen kinderen en nu hebben we er tóch één. Ja, die houden we wel hoor, je raakt er wel aan gehecht op den duur. Ah ja. Gelukkig maar ja. En jij? Na zeven jaar toch maar de stoute sloffen aangetrokken en door de vrouw meegenomen. Joh. Zou het pijn doen? Tuurlijk doet het pijn, hopen de vrouwen. Hun ogen glinsteren, vol duistere vreugde. Ik had mijn meisje maar thuisgelaten. Haar naam staat in mijn ring, dat is voldoende. Ik ben geringd, gelijk een postduif. Zou ik nog kunnen vliegen, straks? Ben ik al aan de beurt. Neuh. Nog maar even lekker Arts en Auto lezen. Saai. Bah, wat een zweethanden, het is ook wárm hier. Meneer Abraham. Lood in de benen. Handje geven, éérst afvegen aan de broekspijp. Wat klinkt mijn ‘goedemiddag’ iel. Waarom wilt u het laten doen meneer Abraham en weet u dat veel urololologen joods zijn.
Wel, ik heb vijf kinde.. Ik begrijp het meneer Abraham. Hebt u nog bepaalde afwijkingen waar we rekening mee moeten houden? Nou, ik ben dus besneden, maar ik weet niet of… Dat maakt geen Fluit uit meneer Abraham. Komt u om vijftienhonderd uur maar terug meneer Abraham.
Óver 1500 uur ook goed? Neen, dus reeds.

Des middags zit je er weer. Zelfde wachtkamer, zelfde mannen, zelfde feestende, stralende vrouwen. De mannen… waren ze bij het voorgesprek al bleek en tanende, nu zijn ze gereduceerd tot helemaal niks. Een soort doorschijnende klei in de handen van hun partners. Ze huilen niet. Kijken dapper naar de grond. Eentje komt net terug. Viel het mee? Ik vraag het hem. Zijn dode ogen zoeken de mijne. Het was best heel erg. Nu gaat het wel weer. Jammer dat hij opeens kleiner is dan zijn vrouw. Dat lijkt zo omdat hij met o-benen loopt. Nou, dag, lotgenoot! Meneer ABRAHAM. Wat klinkt dat hard. Komt u maar hoor, nee niet daarheen, dat is de uitgang. Volgt u me maar. Ze geeft me een warme hand. Warm, gelukkig. De assistente kijkt vrolijk. Heeft natuurlijk een boel te vertellen thuis, elke vrijdag. Ja, dit soort klusjes doen ze alleen op vrijdag, zodat de castraat in het weekend kan bijkomen om maandag weer fijn te kunnen arbeiden. Daar lig je dan. Fris geschoren. Pompom. Hij slijpt nog even zijn mes, er mag geen braampje aanzitten, anders is het niet koosjer. Zei ik dat? Hij moet lachen. Waarom doet u dit? Omdat er hier nooit iemand dood gaat. Aha. Tien minuten en ik ben onklaar gemaakt. Het viel wel mee, eigenlijk. Toch nog steeds een knoop in mijn buik. Maakt drie knopen totaal.


Geschreven in opdracht van de Joodse Omroep 2010

dinsdag 23 maart 2010

Puberruil XL

Afgelopen dinsdag konden we weer genieten van het programma Puberruil XL. Man man man, wat een gedenkwaardige uitzending kregen we voor de kiezen. Joods pubermeisje Jade uit Amstelveen ruilde voor vier dagen van gezin met het Rotterdamse Feyenoordmiepje Shirley. Het werden ontroerende momenten van verbroedering en intermenselijk contact. Heeft u een zakdoekje voor het grijpen? U houdt het niet droog. De aankomst van Jade in het Rotterdamse gezin was een liefdevolle en aangrijpende happening. Jade had namelijk een Joodse cake (die bestaan) meegenomen als vriendelijke geste. Papa Feyenoord kreeg bijkans een rolberoerte bij de woorden Joodse Cake en vroeg zich af of de kleine Jade hem misschien wilde vergiftigen. Met een vork prakte hij de prachtcake aan flarden. Aangezien hij geen paarse tarwekorrels of christelijk kinderbloed aantrof nam hij toch maar een voorzichtig hapje en warempel, het smaakte zelfs lekker.

Ondertussen was zijn dochter dus in een Joods gezin geparkeerd. Het arme kind wilde eigenlijk gelijk zelfmoord plegen toen ze vernam dat ze in Amstelveen was. Bij haar thuis was elk woord dat met een A begon strengstens VERBOTEN, Amsterdam, Amstelveen werden dan ook als “020” aangeduid. De term Ajax was uiteraard het meest verschrikkelijke vuile ranzige woord dat je je maar kon indenken. Enkel op straffe des doods kon dat uitgesproken worden. Jankend stond ze voor de Arena.. met haar rug er naar toe. Ze kon het niet aan om de “snelkookpan” van die Tyfusklup te aanschouwen. Ook maakte ze op een positieve manier kennis met Joodse gebruiken en onze cultuur, zoals de tennisvereniging, de siddoer “gatverdamme, arabisch!” en joodse les, waar ze gezellig keuvelde over het gebruik van de uitdrukking kankerjood.
Hoogtepunt was dat ze “Shalom Abba” leerde zeggen, een staaltje van integratie waar we met z’n allen nog wat van kunnen leren.

Bij thuiskomst in hun eigen gezinnetjes waren beide meisjes erg blij. Jade was gewóón blij, zoals normale meisjes betaamt, Shirley ging hysterisch janken bij het zien van haar Abba (LOL) “ik wil noooooit meer naar 020” en ging samen met net-niet-vergiftigde paps en middel-vinger-opstekende broertje (genaamd Feyenoord, echt waar) een als geschenk ontvangen Ajax-vaantje verbranden in de vuurkorf in de tuin. De rook steeg niet op.


Geplaatst in het NIW, 2010

donderdag 31 december 2009

Geboorteaangifte

Voor de zoveelste keer mocht ik godzijdank geboorteaangifte doen, dit keer van een meisje genaamd Roos, geboren op 26 december 2009.  20% van mijn kinderen ging mee, waaronder de helft van mijn dochters. Waarom? Rivka wilde graag Burgemeester Jorritsma een geboortekaartje geven. En zijn wij niet allen kinderen van Annemarie? Dus mijn appeltje (eindelijk een zusje!) trots als een pauw aan mijn zij, mee naar het middeleeuwse stadhuis van Almere.

Rivka vroeg het blozend. Maar bent u dan familie? Riposteerde een verbaasde receptie-dame. Neen hoor, gewoon eenvoudige onderdanen van Hare Majesteit!
Nou, ik zal even bellen…. Ze moest het nummer wel even opzoeken want zo vaak kwam er geen bezoek voor mevrouw het opperhoofd. Het gesprek met de secretaresse was kort en duidelijk; we waren geen familie, Annemarie was er nie, maar ook als ze er wél was geweest hadden wij, enge sloebers, ons zeker niet bij haar mogen vervoegen.
Mijn appeltje slikte teleurgesteld haar traantjes weg, liet het kaartje achter voor de Onbereikbare Ongenaakbare en we togen met een treknummertje naar de afdeling Burgerzaken.

Omdat ik graag klets, hetgeen u zal verbazen, vertelde ik ons kleine drama aan de aangiftedame. Zij was helemaal niet onder de indruk. De vorige burgemeester kwam gewoon op feestjes langs en bracht dan helemaal zelluf worst, kaas en bier rond, onderwijl complimentjes rondstrooiend over de noest arbeidende ambtenaren.
Annemarie niet. Die zagen ze nooit, zat enkel in haar ivoren toren te zitten.
We kregen ook al geen kaartje terug.
De volgende keer stem ik op een andere burgemeester.


donderdag 23 oktober 2008

Nou, gesundheit!

De nieuwe Benjamin ligt nog maar net op de mat, nog nadampend van het geweld van de stampende stencilmachines en ik krijg alweer een sommatie om ráp een nieuw stukje hartepijn te knutselen. Slavendrijvers! Ik zal het wel verdiend hebben. Moest vroeger thuis ook al altijd afwassen en was bovendien de kleinste van de klas. Wat een leed. Dankzij mijn bovenmenselijk positivisme ben ik hier gelukkig bovenuit gestegen. Hetgeen met 1.79 meter heel knap is, en zorg voor menig vrolijke noot in dit aartslelijke tranendal. Want mooi zullen we Almere nooit kunnen noemen. Daarom woon ik er ook, het is heerlijk om in de afzichtelijkste stad van Nederland te wonen. Er gebeuren namelijk ook hele leuke dingen. Zo werd de helft van mijn kinderschaar hier geboren. De eerste Almeerse Bram, ons derde kind, mocht gelijk na de geboorte in een Ambulance naar het Flevoziekenhuis, omdat hij bij de eerste aanblik van zijn vader zachtjes ging kreunen. Nah ja, das nog altijd beter dan heel hard schreeuwen. Almeerse ambulanciers houden wel van een geintje, ze waren voor grap eerst naar de Lindestraat gereden, om daar een baby te ontvoeren. De mensen daar weigerden gek genoeg hun 16-jarige zuigeling af te staan, zodat ze hem met geweld in de ambulance-maxi-cosy moesten proppen. Want hee, de opdracht was duidelijk! Na een worsteling met de 2 meter lange baby werd duidelijk dat het om de Lingestraat ging. Duurde dus 5 kwartier voordat de ziekenauto voor ons huis tot stilstand kwam en wij onze blauwe baby konden inleveren. Uiteindelijk bleek er uiteraard niets, maar dan ook helemaal niets aan de hand, baroech hasjeem.
De tweede Bram, inderdaad ons vierde kind, mag niks eten, hetgeen voor een Joods kind hetzelfde is als voor een goudvis die in een zandbak moet zwemmen. Van de lekkerste dingen slaat hij rood uit, hetgeen weliswaar in mijn puberjaren mijn politieke kleur was maar inmiddels uiteraard, weldenkend en volwassen geworden, niet meer.
Een hele bezoeking, mijn balleboeste heeft menig dagje met hem in het AMC gezeten hetgeen ons zeer verdroot. Hij vermaakte zich prima met alle lief glimlachende verpleegstertjes en de zorgelijk kijkende specialisten. Speciaal voor hem maakte een Ierse fabriek roomse hypoallergene melkvervangers, maar ook die schieten hem in het verkeerde keelgat. Nu ziet mijn ega er dus steeds egaler uit, omdat ze borstvoeding moet blijven geven, vanwege Etan op dieet is en nog maar 36 kilo weegt. Misschien was dat haar confectiemaat, daar wil ik afwezen. Toch hebben we besloten hem te houden, je hecht je toch aan zo´n mannetje. Bovendien heeft hij de ogen van mijn moeder. Zodra hij op kamers gaat is hij er overheen gegroeid. Mensen, blijf gezond!


Eerder gepubliceerd in De Benjamin

maandag 2 juni 2008

Ehmm.. trouwen?

Op zondag 1 juni was het zover: 10 jaar verkering! Bovendien was het die dag ook nog eens Jom ha Voetbal, de internationale joodse voetbaldag, met acht- en elftallen uit binnen- en buitenland. Al weken had ik er zenuwachtig naar uitgekeken. Niet vanwege het BDU-NIW-standje dat ik moest bemannen of het voetbal, dat kan ik sowieso niet, ik zou alleen maar wat breken. Neen, ik wist dat ik die dag de big question wilde gaan poppen. Wat te doen? Misselijk van de zenuwen kroop ik achter Maurice de Hond langs het hondenhok in waar de Omroepinstallatie zich bevond, en vanwaaruit bijvoorbeeld werd rondgeschreeuwd, middels machtige luidsprekers, dat de Circumcizers op veld 33 moesten stuntelen tegen de Besnijders. Ik dus de microfoon gepakt en met trillende stem, ten overstaan van 2000 joodse sportlui (haha, dat kán helemaal niet!) door de ether mijn liefdesverklaring geslingerd: "Anne Mathilde Abraham, we hebben vandaag TIEN jaar verkering en je bent het wéér vergeten (ik neem het haar niet kwalijk, ze vergeet ook regelmatig haar leeftijd, of in welke eeuw we wonen) maar je kunt het goedmaken. Het is dus 10 jaar geleden dat wij elkaar voor het eerst een kus gaven, en daarna gaf je me vier kinderen. Ik wil er nog wel vier bij (ik denk dat ik hier een grap maakte, hoop ik). Ik hou heel veel van je, en ik wil vragen of je met me onder de choepa wilt. (dat is geen joodse poncho, ook geen elektrisch dekbed, maar een soort huwelijksbaldakijn, begrijpt u wel) Kom alsjeblieft nú naar me toe rennen en zeg JA!." Enfin, ik bezweet weer uit het hondenhok van Maurice naar buiten gestrompeld, opgewacht door een dozijn vrouwen die me met tranen in hun ogen vertelden hoe romáántisch ik wel niet was. Ja, duh.
Ik keek uit naar Anne Mathilde! Die kwam dus niet. Ik voelde me met het aanwezige publiek enigszins, toch wel, een beetje opgelaten. Ik bedoel lullig, maar ken daar geen net woord voor. Daar kwam ze aan! Bonkebonke deed mijn hartje! Ze kwam recht op me af, pakte mijn hand, keek me met haar alles doorpriemende, maar toch warme en betrokken oogjes aan en zei, heel zwoel, ten overstaan van snikkende vrouwen en mannen met trillende lippen, van de spanning in hun sportbroekjes plassende voetballerpupillen, de wedstrijden waren tijdelijk stilgelegd, enfin ze zei -terwijl ik niets anders meer zag dan haar mooie hoofdje en niets anders meer hoorde dan het gesuis in mijn oren en haar lieflijke stem, ze trompetterde: Hee, is er ook koffie of zo?

Terwijl ik lag bij te komen van de klap, in voetbaltermen een anti-climax, dronk zij lekker koffie met mijn zwagers en snaterde gezellig met de aanwezige dames, die haar uiteraard vertelden wat voor romáántisch "iets" ik had gedaan. Ze had niks gehoord. Ze vond het toch best wel leuk. Want ik kreeg een kus. En, nadat de derde toeschouwer had gevraagd wat ze me nou geantwoord had, zei ze ook nog "ja". Ik bof toch maar.


Eerder gepubliceerd in De Benjamin, 2008